Samen

Er waren 500 vrouwen op het Lorelei vrouwenfestival waar ik vrijwilliger was, en waar ik ook chöd beoefende. De tenten stonden hutje aan mutje. Ik wist steeds niet zo goed waar ik kon gaan zitten om niemand te storen. Bel en trom zijn doordringend. Toen ik op een avond op een leeg veld beoefende, kwamen er een paar geschrokken vrouwen met zaklantaarns aanlopen van een naburig veld, 200 meter verderop, om uit te vogelen waar dat heldere belgeluid toch vandaan kwam. Ze vreesden een windorgel dat de hele nacht geluid zou maken en hen uit de slaap zou houden.

Ik beoefende die week voor doorstroming, vooral voor de doorstroming in de toiletblokken, waar ik verantwoordelijk voor was als vrijwilliger. Maar ja, wanneer moest ik dat doen bij de toiletten? Tijdens de workshops was het rustig op de velden, maar niet iedereen ging naar alle workshops. De workshops op Lorelei roepen veel op; deelneemsters hebben hun rust nodig. Wie weet zou er iemand met hoofdpijn in haar tentje liggen, of ziek zijn. De schatten van medevrijwilligers vonden het geen probleem, ze vonden dat ik prima tussen al die tenten in kon beoefenen, zo wie zo. Maar ja.

In Chöd werk je met je angsten, met alles waar je tegenop loopt. Ik liep tegen de angst op te storen met mijn ceremonie. Ik was ook bang dat ze me raar zouden vinden: gek hoedje op mijn hoofd, dijbeentrompetje, gestreept kleedje om. Nogal exotisch allemaal. Maar het gevoel te storen was het sterkste.

Ik besloot als dappere yogini mijn angst lief te hebben en tijdens de middagpauze in vol ornaat met domra op mijn hoofd op de T-splitsing te gaan zitten. Die was op steenworp afstand van twee velden met veel slaaptenten, en een plek waar veel mensen langskwamen. Meteen toen ik het vertelde, sloot zich iemand aan! Een medevrijwilliger ging meespelen met haar mondharp!! Het nam een heel andere draai.


Ze kreeg het benodigde onderricht om mee te mogen spelen en de mantra’s te chanten. We zaten in de zon op het gras. Er gebeurt zoveel wonderlijks op Lorelei, niemand vond het gek. Ik zong. Peggy speelde op haar harp. Het klonk prachtig. De harp zoemde speels rondom het stabiele ritme van bel en trom. De voorbijgangsters ontvingen ons mededogen. Ook de vrouwen, die vlak bij ons op het pad ceremonieel hout aan het stapelen waren, voor het vuurspringen ’s avonds, kregen mededogen toegezoemd, gezongen en gechant. En het hout voor het vuur, de toiletblokken en de borrelende buizen in de wc’s, de tenten, het healingveld, de verwenmarkt en alle vrouwen die er waren. Het was een blessing om te doen samen. De vuurdraak die later in de week verscheen op die plek, was er vast ook dankzij ons!

Chöd - Alleen in het donker, brrrrrrrrr

Als je de Tibetaanse Chöd beoefent, schenk je aandacht aan je angst. Je omarmt die, zodat je ontdekt dat die geen grond heeft. Letterlijk zing je in de ceremonie: “Zegen ons angst te voeren als het Pad”. Je mag dus bang zijn, en je angst zelfs groter maken, zodat je die kunt zien en voeden en je uiteindelijk de opluchting van het mededogen zal voelen, angst en liefde als één en hetzelfde.

Yogi’s en yogini’s in Tibet trokken van enge plaats naar enge plaats, bijvoorbeeld langs crematievelden, waar ze dan in hun eentje gingen zitten beoefenen, liefst diep in de nacht. Die plekken ervoeren ze als zegenrijk, juist omdat ze eng waren. Ze gaven enge plekken aan elkaar door, zoals reizende jongeren in hostels elkaar hun mooie tochten aanraden. Ik had nog nooit in mijn eentje buiten in het donker beoefend. Van de zomer heb ik dat voor het eerst gedaan.

Het was op vrouwenfestival Lorelei, waar ik vrijwilliger was, en de de wc's schoonmmaakte op het terrein van De Banken Zeewolde. Toen er nog geen deelneemsters waren, beoefende ik op een avond op een van de velden. De reden dat ik dat op die plek deed, was aandacht voor een verstopte wc. Chöd doe je om blokkades op te heffen, en een verstopte wc is een blokkade. Het was een immens groot veld waar ik zat, met witte, lege workshoptenten. Akelig verlaten. Het was bijna donker toen ik begon en het werd steeds donkerder. Het licht in de wc's knipte tijdens de beoefening automatisch aan. Ik had een hoofdlamp mee om de tekst te lezen.

20180819_205242.jpg

Het schoot door me heen dat ik aangevallen kon worden, aangerand, meegesleept naar zo’n lege tent en verkracht, ja misschien zelfs wel gedood. Want wat is er leuker om dat op een vrouwenfestival te doen, waar vrouwen zich veilig wanen.

Toen ik halverwege de ceremonie was, kwamen er geluiden uit het toiletblok waar ik vlakbij zat. De enge man? Spoken gerommel, omdat er door mijn beoefening van alles in gang werd gezet? Een dier? De boswachter die kwam kijken naar het toilet? Of Ellis Kersten, de vrijwilligster, die ik uit mijn ooghoek in de verte langs had zien fietsen? Het ging allemaal door mij heen.

Daar alleen buiten, had ik momenten waarop ik bang was m’n leven te verliezen. Iets wat ik onmiddellijk verwierp als irreëel, maar wel gevoeld had. Omgaan met de angst om te sterven, daar mee dealen, is de diepste laag in de chödbeoefening. Daar maakte ik iets van mee, op die avond en op andere avonden op dat festival, in mijn eentje in het donker.

Een intuïtief legpatroon voor jezelf met kaarten door cliënten getrokken



Een kaart die een cliënt trekt, heeft vaak ook iets te zeggen over jou. Ook voor jou kan die kaart spiegel zijn van iets uit je leven. Op de ‘Dag van de tarot’ op 8 juli in Breda geven Els Maasson en ik daar een workshop over. We gaan oefenen in tweetallen waarbij we één kaart trekken en kijken hoe die op elk van beiden van toepassing is. Ik heb naar meer vormen gezocht van spiegeling voor onszelf, met kaarten door cliënten getrokken. In het volgende stuk heb ik uitgeprobeerd of zulke kaarten ook in een legpatroon zinnig zijn.

Gisteren gaf ik korte consulten van 1 kaart in de pauzes van een studiedag. ’s Avonds heb ik de kaarten die getrokken waren, uit het spel gehaald. Het waren zes kaarten, twee ervan waren twee keer getrokken. Ik ben net een project gestart en mijn vraag was hoe dat op de grond te zetten.

Ik had die dag gewerkt met een orakelspel rond Mozes en Mirjam. Dat zijn figuren uit de bijbel met een leiderschapsrol, die van alles meemaken, te vergelijken met wat wij beleven. De drieëndertig kaarten uit het spel zijn geïnspireerd door bijbelverhalen en andere oude geschriften.

Ik heb de zes kaarten geschud en ze omgekeerd op intuïtie in een patroon gelegd, zoals ik dacht dat ze moesten liggen. Toen ik de kaarten omdraaide, zag ik er een tent in. Een tent begrensd door vier zijden van kaarten. Midden in de tent was de plaats voor mijzelf, om te zitten. Daar lag een kaart. Elke kaart had me wat te zeggen. Maar de kaart in het midden, verraste me het meest. Over die kaart schrijf ik hier. In het midden lag de kaart van het ‘beloofde land’.

Het grote verhaal van Mozes en Mirjam is dat zij met een heel volk op weg gaan naar een land waar het goed leven is. Het ‘beloofde land’ is een land met rijke oogsten, druipende honing en grote, zoete druiventrossen. Daar is plek voor zieken, wezen, weduwen, en vreemden. De kaart van het beloofde land representeert in het spel je droom en de richting die je uit wil. Dit land waar het goed leven is, is voor mij altijd iets wat in de toekomst is, in de verte, in de mist. En dat eigenlijk nooit bereikt zal worden. In mijn idee hoorde die kaart ergens aan de rand van de tafel te liggen waarop de kaarten lagen, ver weg van mij.

Maar de kaart van het beloofde land lag niet ver weg, was niet onbereikbaar, hij lag in het midden van de tent, op de plek waar ik zat. Dit zei me een heleboel over mijn vraag, hoe het project waar ik mee begonnen ben, op de grond te zetten. Het zei me met verwondering te werk te gaan. En vanuit een gevoel van overvloed, van welkom zijn en van ontspanning. Het werd me duidelijk dat dit een zoet project is, van genot en plezier. En dat iedereen die ik tegenkom en waar ik mee spreek, ook wie ik vreemd vind, mij iets te geven heeft en ik aan hen. Dat het beloofde land er eigenlijk al is, als ik het zo aanpak. En dat het daarom gaat in het project.

Het bood me inzicht, dit legpatroon met kaarten door anderen getrokken. Hoe doe je dit? Op een rijtje:

1. Pak de getrokken kaarten uit je spel. Als dit teveel kaarten zijn voor een legpatroon, kies dan de kaarten die meerdere keren getrokken zijn. Die hebben je het meest te zeggen.
2. Schud de kaarten, en leg ze intuïtief omgekeerd neer in een patroon.
3. Bij mij werkte het goed om de posities in het patroon niet te benoemen. Maar wil je ondubbelzinnige duidelijkheid, dan helpt het om dat wel te doen. Denk dan aan: fundament, doel, hulp, verleden, obstakel, verlangen, angst, talent, enz.
4. Keer de kaarten om en duid ze.
5. Sluit af met je aandacht te richten op de mensen die de kaarten getrokken hebben in jouw consulten en jou dit inzicht geboden hebben. Dank hen.

Het missionaire moment

Een monnik wenkte ons met grote gebaren vanuit de halfopen deur van de receptiekamer van de abdij. “Wat leuk dat u er bent.” En: “Nee, ik wil u niks opdringen.”

We hadden zojuist het noongebed meegemaakt in de abdij Sint-Benedictusberg in Lemiers, op vakantie in Vaals en liepen de kerkruimte uit.
Hoe doet hij het, dacht ik. Dit missionaire moment.

Hij raakte me aan. Gaf een tikje op mijn arm. Het bleek voor hem een grote vreugde voor daar te staan. Hij leefde nog en wilde er wel 20 jaar aan vastplakken. Ernstige ziekte gehad. Je zag het aan hem. Aan de dood ontsnapt en er tegelijkertijd nog heel dichtbij. Een lichtheid. Een vreugde. Het was het eerste wat hij vertelde. Contact op existentieel niveau.

Hij stond daar in zijn pij met vlekken, heel erg monnik te zijn. In een enorm klooster, gebouwd volgens de 20ste eeuwse, modernistische ‘Bossche School’. Symmetrisch. Beton. Steen, hoog, wijd en ruimtelijk.



Een wervelwind aan woorden volgde. Een soort excuus dat zij als monniken zo weinig wisten van het leven van ouders en kinderen. En dat ouders meer van de opvoeding wisten dan zij. En dat zij broeders, van hen leerden en niet andersom. Hij was bescheiden, over wat hij ons te bieden zou kunnen hebben. En er was schroom.

Geen wonder, als je in een immens klooster woont, waar nog maar 13 monniken de koorbanken vullen. Ik moet zeggen, juist de schroom maakte deze monnik sympathiek.

De broeder vroeg ons binnen in de receptiekamer: “Voor jullie hoor, het gaat om jullie, alleen als jullie het willen.” Hij vertelde daar over de lampjes die hij aanstak in het klooster, een van zijn taken. En over de Marialampjes voor de verkoop, waar hij de lont in stopte. Was simpel werk, zei hij, maar daardoor konden zijn gedachten naar het evangelie gaan, en naar de heiligen. ‘Zo’n beetje contempleren’, noemde hij dat. Theresia van Lisieux was zijn favoriet. Een heilige uit het begin van de 20ste eeuw die op haar 25ste gestorven is. “Ze heeft zo’n leuk gezichtje.” Hij had het voor elkaar gekregen naar haar geboorteplaats te gaan. Het was een liefde.

Ik wist dat niet, dat monniken, in elk geval deze monnik, zich in contemplatie verbonden met een heilige. Ik vraag me vaak af, hoe anderen vorm geven aan devotie. Daar kreeg ik het zomaar in mijn schoot geworpen. Zoiets intiems hoor je nooit. Ik was er blij mee. Ik was er nog de hele dag verbaasd over. Het was een fijne ontmoeting en we zijn de volgende dag teruggekomen om een vesper mee te maken.

Valt er uit dit gesprek ook iets te leren over het missionaire moment? Ik denk het wel. Ik haal er vier punten uit:
(1) Wees oprecht blij met de ontmoeting die je hebt, met de mens die voor je staat.
(2) Maak contact op zeer persoonlijk niveau, vertel over jezelf.
(3) Het geeft niet als je schroom hebt en je je schaamt voor je geloof. Dit laatste wil ik het liefst met hoofdletters schrijven, want dat doen we zo vaak. Ik herhaal het nog maar eens. Schaamte en schroom zijn niet erg. Ze maken je lovable.
(4) Vertrouw erop dat je op het juiste moment in iemands leven komt en dat je iets zegt over je geloof waar de ander iets aan heeft, ook zonder dat je weet waar die ander behoefte aan heeft. Deze monnik wist niks van mij, over mijn geloof en de weg van de devotie. Toch zei hij iets waar ik wat aan had.

Chöd pelgrimage

Ons kralensnoer van knekelplaatsen. Nog 100 te bezoeken. Afgelopen week gaven we ceremonies in de duinen bij Overveen. Tijdens de tweede wereldoorlog werden de voor burgers ontoegankelijke duinen gebruikt voor het executeren van mensen en werden duinvalleien massagraven voor doden uit allerlei gevangenissen in Nederland. Al in mei 1945 werden deze graven gevonden. Het grootste bevatte 199 doden, het kleinste 1, Hannie Schaft. Dit hele duingebied is, zoals de kunstenaar Armando dat noemde, een "schuldig landschap".



Wij zijn bezig aan een Chöd pelgrimage langs dergelijke plekken. Geschonden plekken, plekken van schaamte, plekken van angst, plekken van sterfte door mensenhand. Wat blijft is de liefde, de deernis. We luisteren naar de teksten die we zelf zingen: een roep om de Moeder, een beroep op goede krachten, een hoop op zegen. We komen met lege handen en delen onze overvloed, onze zo moeizaam verkregen wijsheids-honing.

Preek voor vierde Advent, over een kerstreclame van Plus, Johannes en Jezus


Er zijn een heleboel legenden rond de geboorte van Jezus. Over een vogel, die het kindje in slaapt zingt in de stal. Over een spin die een web weeft voor de ingang van een grot, zodat de soldaten van Herodes die Jezus zoeken, hem niet zullen ontdekken.

Er zijn ook zulke legenden over Johannes. Ook naar hem zochten de soldaten van Herodes. Zijn geboorte was wonderlijk. Zijn moeder Elisabeth was te oud geweest om een kind te krijgen, dus Johannes zou een bijzonder kind kunnen zijn, een bedreiging voor em. Toen Elisabeth hoorde dat Herodes haar zoon zocht, vluchtte ze met hem naar de bergen. Toen ze hoog in de bergen voor een grote rots stond, riep ze: “Berg van God, alsjeblieft, neem deze moeder en haar kind in je op.” Haar stem weerkaatste tussen de rotsen. En in de stilte die volgde gebeurde het. De rots opende zich en nam moeder en kind in zich op. Dat hoop je toch, voor alle kinderen in deze wereld, dat wanneer de moeder te uitgeput is om te troosten, er vogels zijn die voor hen zingen, dat een web van een spin hen verbergt als ze moeten vluchten en dat er een rots is die zich opent en hen binnenlaat als ze achtervolgt worden. Dat zo de hele schepping van God meewerkt aan het brengen van vrede. In een groots en kosmisch gebeuren.

Diepe en grote verlangens komen op als het zo donker is buiten als nu, en het licht ver weg. Naar hoop en vrede. Naar dat blinden weer kunnen zien, doven weer kunnen horen en doden weer leven. Naar dat Christuskind, dat dit allemaal vertegenwoordigt.

Er is een gewaagde reclame op tv van supermarkt Plus, dat zulke grote verlangens laat zien. Dat gaat over een meisje met gescheiden ouders. Ze woont een deel van de week bij haar vader en een deel van de week bij jaar moeder. Met haar knuffel gaat ze heen en weer. Je ziet haar in de auto van haar vader stappen, zwaaiend naar haar moeder. Je ziet haar in zijn flat een armetierig kerstboompje optuigen. Je ziet haar terugkomen bij haar moeder, en daar een kerstboom opzetten, maar dan een hele grote, en de nieuwe partner van haar moeder helpt mee. Zo gaat ze heen en weer tussen haar moeder en haar allenige vader. Als het bijna kerst is laat ze een kadootje achter bij haar vader, onder het armtierige kerstboompje. In het pakje zit een gourmetpannetje uit het huis van haar moeder. En met dat pannetje stapt de vader met kerstmis het huis van de moeder binnen en krijgt hij een plaats naast een stralende dochter.

Een diep verlangen spreekt hier uit, van kinderen met gescheiden ouders, de ouders bij elkaar, zonder ruzie. Een diep verlangen ook van ons allemaal, naar harmonie, naar samen. Het is een harmonie waarin je allerlei angels en stekels vermoedt, met pijnlijke verlegenheden en verdriet. Dappere familie die dit aandurft, de nieuwe partner en de gescheiden vader samen aan tafel. Dat kan lang niet altijd. En dat kan je juist zo voelen met kerst. De conflicten die er zijn in je familie, soms onderhuids, soms luid en duidelijk en soms doordat je geen contact meer kunt hebben.

Johannes en Jezus vormen een groot contrast. Het is mooi dat Johannes centraal staat, op dag van de heilige nacht, waarin de geboorte van Christus gevierd wordt. Johannes is zo heel anders dan dat kind in de kribbe, dat zo zoet en weerloos is. Johannes is stoer en groot. Hij draagt een kamelenharen mantel, vast veel en vaak en als hij eet, eet hij sprinkhanen en wilde honing. Ver weg van de mensen woont hij, alleen in de woestijn.

Johannes roept op tot inkeer. Mensen komen naar hem toe in de woestijn en vragen wat ze moeten doen. Tegen soldaten zegt hij, dat ze niemand moeten afpersen. Tegen de belastingambtenaren dat ze niet meer moeten geld moeten vragen dan ze is opgedragen, en alle mensen die te eten hebben, roept hij op dat te delen. Johannes wil dat mensen anders gaan leven.

Als profeet die oproept tot inkeer staat Johannes voor ons, in zijn ruwe kamelenharen mantel. Hij laat ons het licht zien, hoe het wel zou kunnen zijn. Met z’n allen aan tafel. Geen oorlogen. Niemand die hoeft te vluchten.
Het gekke is, hoe meer wij in contact komen met het licht, met hoe mooi en goed het zou kunnen zijn, hoe meer we het donker zien, wat moeilijk is en helemaal niet gaat. Dingen die we zo graag anders zouden willen, al kunnen we er vaak helemaal niks aan veranderen. Zo van: “Ah ja, dat had ik graag gewild deze kerst, dat mijn dochter kwam, dat we samen zouden zijn.” Of: “dat ik fijn rond de tafel kon zitten met de hele familie, de lam bij de leeuw.” Johannes zegt, ziet dat, erken dat. Laat het er zijn: de verlangens, het gemis, de boosheid om alles wat er niet is, en misschien wel nooit meer, dan geeft dat ruimte. Dat geldt ook voor onze uitvallen, onze geniepigheid, momenten dat we onze mond hielden, terwijl we hadden moeten spreken. Als je die dingen durft te zien en erkennen: “ja, dat is zo,” dan geeft dat opluchting. Dat is de weg van inkeer, de weg van Johannes.

Je kunt die weg alleen gaan als het je gegeven is je door verlangen te laten raken, als je het licht kunt voelen. Dat lukt niet iedereen. We lazen vanmorgen in het evangelie over mensen die zich niet kunnen laten raken. Zo teleurgesteld door wat het leven hen gaf, dat ze nergens meer in geloven. Er staat: wanneer je voor hen op een fluit speelt, willen ze niet dansen, wanneer je een klaaglied zingt, willen ze niet rouwen. Afgestompt zijn ze. Ze willen Johannes niet omdat hij niks eet en drinkt, en wie weet van een demon bezeten is. Jezus willen ze ook niet, omdat hij teveel eet, dronken is en ook nog eens een vriend van tollenaars en zondaars. Ze genieten niet. Ze rouwen niet. Ze geloven nergens meer in.

Het mooie van Johannes dat hij blijft roepen en wenken en wijzen naar het licht. Hij blijft daar staan in zijn kamelenharen mantel. En brengt ons in contact met wat we anders zouden willen in ons leven, met wat we liever anders gedaan zouden hebben, met ons verdriet en berouw, met ons diepe, diepe verlangen naar eenheid en harmonie. Op die manier wijst hij de weg. We hebben Johannes nodig om Kerstmis te kunnen beleven. Hij effent de weg, verwijdert stenen en obstakels voor de wijsheid en het licht. Jezus en Johannes kunnen niet zonder elkaar.

Jezus zet zichzelf helemaal in de traditie van Johannes. Hij ziet Johannes als Elia waarvan de profeten spraken, dat hij terug zou komen. Johannes, op zijn beurt wijst naar Jezus, als de Messias, als degene die verwacht wordt. Voordat Johannes en Jezus geboren worden ontmoeten ze elkaar al, in de buiken van de zwangere Elisabeth en Maria. Johannes springt dan op van vreugde. Herkenning, verwantschap.

Waar is dat kind dan concreet, in ons leven? Waarin kunnen we het licht van dit kind herkennen? Het is er aan die tafel uit de reclame met de gescheiden vader en moeder, hun dochter en die nieuwe partner, met alle ongemakkelijkheid die er bij hoort. Het is er in de pijn van weer niet als familie bij elkaar. Het kerstkind is allang beneden als je morgen naar beneden komt om aan de ontbijttafel te zitten. Het is er in je verdriet dat je zacht maakt voor jezelf.

Johannes wijst het je. Hij effent de weg. Zodat dat kind, zacht en teer de deuren opent van je hart en daarin binnentreedt.

Amen

Gelezen: Jesaja 62:8-12; Mattheus 11:2-19.
In de Lichtkring, PKN Hoofddorp, 24 december 2017

Jezus door het vuur

Vorig jaar heb ik met bevriende sjamanen een ritueel gedaan rond een vuur. Voor sjamanen is vuur belangrijk. Dat ging zo. Ieder voerde een houten kruisbeeld door het vuur. En iedereen legde in gedachten een beproeving van zichzelf op het beeld om mee door het vuur te nemen. Een diep verdriet of lijden. Ieder nam het om de beurt in handen, zalfde het met rozenolie en zong het toe, op eigen wijze.

Een beeld door het vuur voeren, lijkt enger dan het is. Je denkt dat je handen vlam vatten, dat Jezus in brand vliegt, maar dat is niet zo. Het beeld blijft intact en jijzelf ook. Maar het gevaar en de angst die het oproept is wel essentieel bij dit ritueel. Het brengt je bij de heftigheid van je beproeving. En dit te doen brengt troost en lucht op. Zoals Jezus zich overgeeft tot het einde toe, zo kunnen wij dat misschien ook. Dat ervaar je dan.