Vieren op straat

In oktober deed ik samen met Christian Climate Action mee aan de geweldloze blokkade van Extinction Rebellion in Amsterdam, voor het Rijksmuseum. We wilden een getijdengebed op de blokkade houden, waaraan ook mensen van buiten konden meedoen. Dat mislukte. De politie sloot al snel de blokkade af. Je kon er niet meer inkomen. Zo kwam het dat er binnen de blokkade gebeden werd en ook buiten, op dezelfde tijd. Binnen de blokkade gebeurde dat op een steigertje. Buiten de blokkade deden we dat bij de politieafzetting voor de Museumbrug, vlakbij de verzamelplek die we in het Facebookevent genoemd hadden. We hoopten op mensen van buiten, maar die kwamen niet. We bleven met z’n drieën, waarvan één journalist. We zaten op de grond naast een groene prullenbak.

Het was ongemakkelijk en tegelijk heel mooi. Het paste daar helemaal niet op die stoep, die kaarsjes en het zitten daar. Het had iets terloops, of we zo weggewaaid konden worden. En iedereen was groter dan wij. We deelden in de viering wat ons grootste verlies zou zijn, als de schepping teloorging. Er gebeurde ondertussen een heleboel wat de aandacht trok. Zoals een vrouw die door de blokkade heen wilde breken, op de fiets met haar hondje voorop in een mandje, en dat voornemen aan ons vertelde. En het was heel lawaaiig. Ons centrum was een klein kaarsje in een jampot, dat was het licht van Christus, met daaromheen waxinelichtjes. Het was schamel. Zo kwetsbaar, tussen de dorre bladeren. Geen plek om het hoofd neer te leggen, zoiets.




Toen ik de liederen die we zouden zingen tevoorschijn haalde en in ons midden neerlegde, overviel mij grote schaamte. Ik had ze in grote letters uitgeprint en in een multomap gedaan met een plasticje eromheen: “Laudate omnes gentes”, “Jesu le Christ”. Leek me handig, hoefde niemand moeilijk te doen met uitgeprinte blaadjes. De liederen waren van veraf leesbaar, gitzwart op hagelwit papier. Ik voelde ik me als iemand die met grote borden oproept tot bekering, “Jezus redt”, zoals je wel ziet bij het Centraal Station in Amsterdam. Een Jezusgekkie, waar iedereen aan voorbij loopt en ik ook, met plaatsvervangende schaamte.

We hadden waxinelichtjes aangestoken, met gebedsintenties. Toen we klaar waren, en de journalist nog wat uitleg kreeg bij de afzetting, zat ik er in mijn eentje. Ik wilde een foto te maken van de plek en had de uitgewaaide waxientjes weer aangestoken. Er kwamen twee actievoerders aan. Een van hen kende ik een beetje. Hoe het kwam weet ik niet. Maar ze wilden een kaars aansteken met een intentie. Ze gingen zitten. Och, het was zo mooi. “Voor Moeder Gaia” was de eerste intentie. En de tweede was voor “Hoop”. Recht uit het hart. En zo nodig.

Het punt is, het één kan niet zonder het ander. Het gebaar van het aansteken van een kaarsje met een betekenisvolle intentie, is er niet zonder die religie, die omgeven is met zoveel schaamte.

Swarming in Amsterdam

Op vrijdagochtend 26 april ging ik vroeg in de ochtend het huis uit met een telefoonnummer en een naam van een advocaat op mijn arm geschreven. Ik deed mee aan de eerste ‘swarming blokkade’ in Nederland. Zes verschillende groepen, ‘swarms’, gingen in de ochtendspits in het centrum van Amsterdam, straten blokkeren. Steeds 7 minuten lang en dan verplaatste de swarm zich naar een andere straat. Doel van de actie was, verkeershinder te veroorzaken, zodat het door gaat dringen dat we geen tijd te verliezen hebben, dat we nog maar tot 2025 hebben om de broeikasgassen terug te brengen tot 0, en niet langer. Worst case scenario was, dat we opgepakt zouden worden, vandaar dat nummer en die naam. Ik had er die nacht niet van geslapen. En ik was niet de enige.

We waren goed voorbereid. Iedereen in de swarm had een ‘buddy’, iemand op wie je lette of het goed ging, en diegene lette ook op jou. Er waren mensen die tot taak hadden de moed erin te houden. Er was iemand die met de media sprak, iemand die alles filmde om later te kunnen zien wat er precies gebeurde als er iets mis zou gaan, en een politie liaison, dat was ik. We hadden een lange banner om achter te staan, die dwars op elke straat zouden passen. We hadden koekjes om uit te delen aan de wachtende automobilisten, en grote borden om te laten zien hoeveel minuten het wachten nog zou duren. We wisten dat automobilisten boos zouden zijn, dat het enorme irritatie op kon wekken. Toch waren we niet voorbereid op wat zou gebeuren.

Vrolijk rolden we keer op keer onze banner uit en stapten de te blokkeren straten op. Hielden de minuten bij, deelden koekjes uit aan lange rijen wachtende automobilisten. En zongen de vrolijke en bittere liedjes over klimaatrechtvaardigheid, zoals: “…I hear the voice of my great granddaughter, singing climate justice now…” Op een gegeven moment scheurde een auto vlak voor onze blokkade langs, illegaal de hoek om. Twee agenten op motor schoten hem achterna.


Bij de volgende blokkade, bij de ingang van de IJtunnel, veranderde alles. We rolden onze banner uit, stapten de straat op en toen gebeurde het. Twee auto’s, bijna over ons heen. Als politie liaison blijf je buiten de actie, blokkeer je niet mee. Maar ook ik stapte geschrokken in de blokkade, om die te versterken. Tomeloze agressie. Op het nippertje niet overreden. Politie was nog ver weg, de bon uit de vorige blokkade uit aan het schrijven. De lange, lange banner was niet lang genoeg, raakte niet tot aan de stoep. Een voorbijgangster schoot ons te hulp.

Na dit gebeuren was de stad anders. De wegen leken breder, de gebouwen intimiderender. En er was zoveel geluid. We zijn geweldloos in Extinction Rebellion, vechten niet, trainen ons erin om zacht terug te spreken, als iemand tegen ons schreeuwt. Maar we begeven ons wel in geweld. Dat geweldloze roert een kern aan. Iets wat eindeloos is en groot in ons en nooit opraakt. We zijn in een kring gaan staan, en hebben ons daarmee verbonden, en daarna met elkaar, de vogels, de gebouwen, de harde geluiden en ook met de automobilisten. Dat hielp om verder te kunnen gaan.

Voor mij is er die dag iets onomkeerbaar veranderd. Toen ik ‘s ochtends van huis ging, was ik bang om gearresteerd te worden. Surrealistisch vond ik dat, toen ik thuis kwam, volkomen onbelangrijk. Ik kwam die dag tot het besef dat ik kon sterven in de actie die ik voerde. Ik realiseerde me dat ons leven op het spel staat op het moment dat we de weg op stappen. Het is een daad van zelfopoffering, van vrijheid om dat toch te durven doen. Je loopt werkelijk het risico het leven te verliezen.

Voor het blog van Extinction Rebellion.nl

De vrouw uit het Soesterkwartier en de vrouw bij de bron. Analyse van een filmpje voor pioniers

Er is een filmpje gemaakt voor de leergemeenschap Pionieren van de Protestantse Kerk. Het kwam in april 2019 uit. Het is bedoeld om te leren ‘luisteren’. Dat is de pioniersterm voor het leren kennen van de behoeften en verlangens van de mensen buiten de kerk met wie je een gemeenschap wilt vormen. Het is een essentieel onderdeel van pionieren. Ik geef in dit stuk een reflectie op dit filmpje.


Een PDF met een bijna letterlijke tekst van het filmpje.

Het filmpje is gemaakt aan de hand van ervaringen van Oeds Blok in de gemeenschap Buurtkerk Soesterkwartier in Amersfoort. Hij vertelt aan de hand van zijn ervaringen hoe je het luisteren het beste kan aanpakken. Er zit de oprechte wens in om mensen buiten de kerk te leren kennen en er een diepgaand contact mee op te bouwen.

In het begin van het filmpje introduceert Blok een probleem waar hij een oplossing voor biedt. Dat is de schrik en angst die je kan voelen wanneer iemand heel andere denkbeelden heeft, die dichtbij komen. Dat heeft vaak tot gevolg dat je je terugtrekt uit het gesprek en je niet meer nieuwsgierig bent naar de ander. Blok propageert om dit te signaleren bij jezelf, je normen en waarden los te laten, je aandacht helemaal te richten op je gesprekspartner en om vragen te stellen over die denkbeelden en de betekenis daarvan in iemands leven. Dan ontstaat er, zegt Blok, misschien ruimte waarin jij jouw visie in kan brengen en misschien een woord van Jezus. Het is een dynamiek van ‘loslaten’ en ‘uitspreken’.

De uitnodiging je bewust te worden van je angst is belangrijk. Ik kan dit niet genoeg benadrukken. Het kan er al zijn wanneer we ergens binnenstappen en de geur ruiken die er hangt. Angst is een onaangenaam gevoel. We willen het graag weg stoppen om het niet te voelen en wijzen de ander dan maar af. Het een belangrijk instrument dat Blok biedt. Deze manier van werken verdiept ontmoetingen met mensen die niet zijn zoals wij. Het is van het grootste belang, en ik denk dat we nog een stap verder kunnen gaan in de toewending. Ook zie ik een valkuil in het filmpje, in de wijze waarop vrouwen en mannen een rol krijgen en in de gehanteerde theologie.

Stereotypering

Het probleem wordt geïntroduceerd met een voorbeeld van een gesprek dat Blok voerde. Een gesprek met een vrouw. Samen met zijn team was hij drie keer bij een vrouw geweest om op te ruimen. Hij benoemt haar als een "leuk en creatief mens". In een gesprek was deze vrouw begonnen over karma en sterrenbeelden. Daar nu, was Blok van geschrokken. Hij voelde zich bedreigd, het kwam te dichtbij. Hij verloor het contact en wat hij het ergste vond, zijn nieuwsgierigheid. Het is een sterk voorbeeld. Weerstand tegen deze denkbeelden zal door veel christenen, vooral aan meer orthodoxe en evangelische kant van de Protestantse Kerk, herkend worden. In sommige kringen maak je dan een kruis met je wijsvingers, dat betekent dan dat het ‘occult’ is en verwerpelijk. Oeds poogt om daar niet zo’n oordeel over te hebben. Dat is een grote stap.

In dit voorbeeld nu, komen een aantal stereotyperingen van vrouwen samen. Het is voor vrouwen -en mannen- nadelig als die een rol gaan spelen in denkbeelden over God en heil. Dat doen ze van oudsher en we zullen zien dat dit ook gebeurt in dit filmpje. Dat is de valkuil die ik wil benoemen. De eerste stereotypering is: “Vrouwen zijn chaotisch”. Het is zo’n rommel bij deze vrouw dat zijn team er wel drie keer geweest is om orde te scheppen, zoveel was er te doen. De tweede stereotypering is: “Vrouwen zijn irrationeel”. De vrouw in het Soesterkwartier gelooft in sterrenbeelden en karma, beide niet rationeel te verklaren. In seculiere omgangstaal wordt dan gezegd: ze is ‘spiriwiri’, ‘aardstralenvrouwtje’, ‘zweefteef’. De derde is: “Vrouwen zijn exotisch en vreemd”. De vrouw is als vreemd, griezelig terrein dat onderzocht en in kaart gebracht moet worden, zodat ze niet meer gevaarlijk is (vgl.: Simone de Beauvoir, de Tweede Sekse, mythen) . Het vierde stereotype is dat van “Damsel in Distress”. De vrouw als hulpeloze, die gered wordt door de mannelijke held. De vrouw uit het voorbeeld kan haar huis niet zelf opruimen en wordt geholpen. We zien hier ook de ongelijkwaardige situatie van hulpgever en hulpbehoevende.

De vrouw bij de bron

Blok’s verhaal wordt steeds ondersteund met teksten uit de bijbel. Een stukje verder in het filmpje haalt Blok de tekst over Jezus en de vrouw bij de bron aan, waarin Jezus te drinken vraagt aan de Samaritaanse vrouw, die water aan het putten is (Johannes 4). Blok voert Jezus op als voorbeeld, als iemand die meester is in stellen van vragen en dus aandacht heeft voor zijn gesprekspartner. Het verhaal bij de bron spiegelt de situatie van het gesprek in het Soesterkwartier. Omdat het om een man en een vrouw gaat, waarbij de man en de vrouw dezelfde positie innemen, associeer je Blok met Jezus, en de vrouw bij de bron met de vrouw in het Westerkwartier. De Samaritaanse vrouw lijkt op de vrouw uit het Westerkwartier en Jezus lijkt op Blok. Net als de vrouw uit het Amersfoortse voorbeeld draagt de vrouw bij de bron geen naam. Ze is als Samaritaanse vreemd en anders, net als de vrouw uit het Westerkwartier. Verder heeft ze vijf mannen gehad, en de man die ze nu heeft is niet haar eigen man. Je zou dat als chaotisch kunnen kenschetsen. Jezus wil deze vrouw redden, zoals Blok de vrouw in Amersfoort redde met zijn opruimactie. Het is een ongelijkwaardige relatie.

Als we ons de tekst in herinnering brengen, dan spiegelt het verhaal over de vrouw bij de bron, het gesprek van Blok in Amersfoort niet helemaal. Bij de vrouw in het Soesterkwartier was het een rommel en werd er opgeruimd. Er vond een ordening plaats, waarin alles een juiste plek kreeg. In het verhaal van het vrouw bij de bron gaat het over water. Levend water stroomt. Interessant nu is dat dit een kenmerk is, dat stereotiep aan vrouwen toegeschreven wordt. Mannen ordenen en heersen; vrouwen stromen en vloeien. Jezus bezit hier dus kenmerken van een vrouw. Maar het water van Jezus is wel anders dan dat van vrouwen. Het water van vrouwen heeft te maken met geboorte, met het aardse, tijdelijke leven: menstruatie, borstvoeding, vruchtwater. Jezus biedt het levende water, het eeuwige leven. Jezus bezit dus een kenmerk dat aan vrouwen toegeschreven wordt, maar dan in overtreffende trap. Vrouwen hebben en bieden het aardse water. Jezus heeft toegang tot en schenkt het eeuwige, levende water.

Nog een verschil tussen het bijbelverhaal en het eerste gesprek is, dat de vrouw daarin vreemd en onbegrepen bleef. Blok liep daar tegen zijn probleem op. In het verhaal van de vrouw bij de bron blijft ze geen vreemde, maar wordt ze geheel doorgrond door Jezus. Jezus weet, zonder dat de vrouw dit gezegd heeft, dat ze vijf mannen heeft gehad en dat de man die ze nu heeft, niet de hare was. Jezus doorgrondt en doorziet haar. Jezus is dus paranormaal. Dat hoort bij de sterrenbeelden en het karma uit het gesprek in het Soesterkwartier, bij het irrationele, het zweefteverige, een van de stereotyperingen van vrouwen. Jezus heeft nu dit stereotiepe kenmerk, maar bij hem wordt dit positief gewaardeerd. De vrouw erkent Jezus als profeet, die het levende water geeft. In het gesprek in het Soesterkwartier bleef de vrouw een bedreigend mysterie. In het verhaal van de vrouw bij de bron wordt ze helemaal gekend door Jezus. Hij overtreft Blok en vervult de opgave waarin Blok faalde. Jezus geeft geen oordeel en behoudt het contact wel. Ook weet Jezus wat de behoeften van de vrouw zijn, het doel van het ‘luisteren’. Het lukt Jezus zelfs de vrouw aan zich te binden. Ze bekeert zich, en haalt anderen op om naar Jezus te gaan.

Jezus bezit dus vrouwelijke eigenschappen. Hij doet het beter dan Blok, vanwege deze eigenschappen. Maar dit straalt niet af op vrouwen. Blok wordt door de opbouw van het filmpje met Jezus geassocieerd. Doordat hij dezelfde positie als Jezus inneemt, vallen Jezus en Blok helemaal samen. Het mooie straalt af op Blok.

De vader

Jezus stelt zich helemaal open, zegt Blok. Hij verwijst daarbij naar Filippenzen 2. Hij had de gestalte van God, liet alles los en werd mens. Blok vraagt zich af hoe Jezus zo open kon zijn; hijzelf voelt zich bedreigd. Bij bedreiging is het belangrijk je veilig te weten, zegt Blok. Dit zou het voor pioniers gemakkelijker maken om diepgaande contacten aan te gaan. Oeds vermoedt dat het geheim van Jezus om zich veilig te voelen, de band met de Vader is. Jezus weet dat hij geliefd is door de Vader. “Zo kon Hij open staan voor de ander en zichzelf geven, zelfs ook naar de vijandige ander.” De hulp om te kunnen gaan met een bedreigende, vreemde ander, in het voorbeeld een vrouw, komt dus bij een man vandaan, uit een specifieke ouder-kind relatie, de relatie tussen een vader en een zoon. Vrouwen, als moeders en dochters staan daar buiten. Wij hebben daar geen deel aan, niet aan de intimiteit, en ook niet aan de veronderstelde ‘hoogste’, ‘heiligste’, relatie die er is, die tussen de Vader en de Messias. Ik voelde me in de loop van het filmpje steeds meer in de steek gelaten, buitengesloten van de goede dingen, tot ik er helemaal geen deel meer aan had.

Luisteren naar de vader

Tegen het eind van het filmpje vertelt Blok dat zijn gemeenschap heeft ‘geluisterd’ naar de mensen uit het Soesterkwartier, dat ze hun cultuur en hun ritmes hebben leren kennen en zich daaraan aangepast hebben. Iemand had hen gesuggereerd dat het evangelie gepraktiseerd moest worden, dat het ‘gedaan’ moest worden. Ook trok Blok zich de verwachting aan van een oudere man. Die had hem gezegd dat hij respect had voor mensen die geloven, en ernaar leven. Dit is niet voor niks een oudere man. Die heeft rol van een vader, gespiegeld en verbonden met God de Vader, die veiligheid biedt. Blok en in zijn voetsporen de Buurtkerk, blijven binnen deze veilige band, en de band wordt versterkt door te doen wat de oudere man aanraadt. Het kan best zijn dat degene die suggereerde dat het evangelie vooral gepraktiseerd moest worden, een vrouw is geweest, maar dat wordt niet gezegd.

Het loslaten van het oordeel is een belangrijke stap in het contact met iemand die anders gelooft en denkt dan wij. Blok ervaart de toewending naar de ander als een bekering. “Ik heb meer rust gekregen over mezelf en meer aandacht voor mijn eigen verhaal. Maar ook ben ik meer open gaan staan voor het verhaal van de ander. Het is een bekering tot de ander.” Hij vergelijkt het met de verandering die Petrus onderging toen hij het huis binnenstapte van een gelovige heiden, Cornelius de hoofdman. Hij zag toen dat de Geest van God ook bij de heidenen was, die in tongen spraken en God loofden (Handelingen 10). Door hem ontdekt Petrus dat God ook bij de heidenen is. Deze nieuwe geloofsruimte wordt hem geschonken door een man, die hem uitnodigt in zijn huis. Cornelius schenkt hier het heil. Ook in dit verhaal komt geen vrouw voor die het heil biedt.

De dynamiek van luisteren en uitspreken

In Buurtkerk Soesterkwartier werden de activiteiten en het tijdstip van samenkomst veranderd. De veranderingen gaven de Buurtkerk een nieuw venster op het geloof van de gemeenschap. Maar ik zag eigenlijk alleen praktische veranderingen. Ik mis in de dynamiek van ‘luisteren’ en ‘uitspreken’ het moment waarop de ander die zo anders denkt en vreemd is, ons existentieel kan raken en inspireren. Ik had me kunnen voorstellen dat Blok over het gesprek met de vrouw uit het Soesterkwartier had gezegd: “Wat is het jammer dat ik schrok, dat ik niet geraakt kon worden door haar visies, kon kijken of karma of sterrenbeelden iets voor mijn leven en geloof zouden kunnen betekenen.” Maar dat kan niet in de dynamiek, zoals die in dit filmpje gepresenteerd wordt. In de dynamiek van loslaten en uitspreken geef je de ander ruimte waarop vervolgens ruimte kan ontstaan waarin jij jouw perspectief kan geven en misschien een woord van Jezus. De ander mag zo denken als hij of zij wil, maar jij mag niet denken zoals die niet- christelijke ander. Er is geen ruimte voor dialoog of wederzijdse beïnvloeding. Daar lijkt een verbod op te zijn. Bovendien, bij een vrouw die geholpen wordt, waarbij de pionier als redder aanwezig is, zal die beïnvloeding niet plaatsvinden. Daar wordt vooral op neergekeken. Ongelijkheid en machtsverschil worden niet aangeraakt in deze dynamiek van loslaten en uitspreken.

Chaos en de ander in de theologie

Er is theologie die stereotyperingen opneemt en ze positief inzet, om de stereotypering te boven te komen. Een van de stereotyperingen van de vrouw was: ‘chaotisch’. Er is bijvoorbeeld een manier van denken waarbij niet neergekeken wordt op ‘chaos’, maar die juist als scheppend wordt gezien. Catherine Keller, een procestheoloog, geeft de chaos in Genesis 1 een heel positieve rol. Deze chaos is als een kosmische baarmoeder waar wij onderdeel van uitmaken, met impulsen waaruit de schepping voortgaand ontstaat. Er hoeft niet gesorteerd of geordend. Er hoeft geen verschil gemaakt te worden tussen levend water en aards water, tussen tijdelijkheid en eeuwigheid.

Een andere stereotypering was ‘de vrouw als de ander’. In sommige theologie wordt de ‘ander’, of het ‘andere’ dat we niet kennen, zeer gewaardeerd. Dat is in de theologie die in het spoor gemaakt wordt van Levinas en Derrida. Daarin kan die ander de Messias zijn, of is er sprake van een ‘messiaanse structuur’ die open staat voor ‘het andere’ of ‘de ander’ die op ons toekomt. In deze theologie is die ander niet iets om te doorgronden en te bezitten. In dit spoor van denken is de opgave om dit ‘andere’ of ‘de ander’ niet op te nemen en te begrijpen in ons eigen denksysteem en die te maken zoals wijzelf zijn. En ook om de ander niet als een object te zien, die je gebruikt voor jouw eigen doelen. Het blijkt steeds weer, dat dit niet lukt. Dat is het verdriet in dit denkspoor en tegelijkertijd er is de hoop dat dit ooit wel zal lukken. In deze theologie is het juist ‘de ander’ die onze redding kan zijn. Aanzetten hiertoe zitten in dit filmpje. Niet willen schrikken van de ander, maar die serieus willen nemen. De ervaring ‘bekeerd te zijn tot de ander.’ Het willen ontvangen van heil van vreemden: van de oudere man uit het Soesterkwartier en in het voorbeeld uit Handelingen, van Cornelius de hoofdman. Maar het blijft een fraterniteit: van vaders en zonen, van mannen onder elkaar.

Conclusie

Vrouwen komen in dit filmpje niet voor als dragers en schenkers van de goede dingen in het leven. Ze worden door inhoud en opbouw geassocieerd met met bedreiging, onveiligheid, vreemdheid, hulpeloosheid, irrationaliteit, rommel, aarde, tijdelijkheid en sterfelijkheid. Ze zijn objecten om te begrijpen en te redden, om hen uiteindelijk te binden in een bekering. Je zou kunnen zeggen dat de vrouwen pars pro toto staan voor de hele niet-kerkelijke gemeenschap van Soesterkwartier, die doorgrond moet worden om ze kunnen redden en ze te binden aan de gemeenschap. Het zijn de mannen die het heil bezitten en brengen, in welke vorm dan ook. Ze ordenen, doorgronden, geven het levende water van de eeuwigheid, vinden als zonen veiligheid in de band met de vader, geven als oudere mannen opbouwend advies. Let wel, het is niet uitsluitend dit filmpje of onze kerk waar vrouwen niet in beeld gebracht worden als positieve identificatiefiguren en brengers van het goede leven. Negeren van vrouwen gebeurt zelfs in kringen waar het expliciet beleid is om vrouwen of anderen met weinig macht, aan het woord te laten en in beeld te brengen. Dit laat zien hoe het diep dit verankerd is, in ons allemaal. Het is niet expres. Het gebeurt onbewust.

In de leergemeenschap pioniers wordt gezegd, dat er niet aan theologie gedaan wordt, omdat we daar te breed voor zijn. Dit filmpje laat zien dat dit niet waar is. Het is een heel bepaalde theologie die hier gepresenteerd wordt, die aan alle pioniers als vanzelfsprekend, heilzaam gegeven wordt. Laten we benoemen dat we aan theologie doen en aan welke, anders blijft het ondergronds. Een paar aanbevelingen voor de leergemeenschap. Ten eerste, breng pioniers in contact met theologie, school hen in verschillende manieren van denken over heil, God en mensen. Maak pioniers er bewust van hoe theologie, taal, beelden voor God en heil, uit kunnen sluiten, en draag alternatieven aan. Ten tweede, let bij het maken van leermateriaal voor pioniers op de manier waarop vrouwen in beeld komen in relatie tot het heil. Maak hen uitdrukkelijk tot dragers en verkondigers van het goede leven. Neem dit op in de standaard waaraan materiaal moet voldoen. Ten derde, vrouwen komen er in bijbelverhalen gewoonlijk bekaaid af. Neem de afstand tussen bijbeltekst en de lezer(-es) serieus. Maak verschil tussen de context van de bijbel en de context van nu. Zie het als heilige teksten om op kousenvoeten te benaderen, voorzichtig te openen, niet om plompverloren te hanteren als norm voor nu. Ontwerp materiaal waarin pioniers de bijbel leren lezen met een argwanende en een queer blik. Ten vierde, ga verder met de belangrijke stap die Oeds Blok hier aanbiedt. Deze methode verdiept de ontmoetingen met mensen die heel anders zijn dan wij. Geef nog meer ruimte in het ‘luisteren’. Geef pioniers toestemming om in dialoog te gaan en zich existentieel te laten raken in hun geloof.

Tot slot. Laten we nog eens teruggaan naar wat hier gepasseerd is aan ontmoetingen en verhalen. Wie heeft er nu concreet het goede leven laten zien? Dat is een vrouw, de vrouw bij de bron. Zij is degene die water putte en Jezus te drinken gaf.

De Luizenmoeder

Dat was een verrassende en best wel missionaire wending 😉 in de laatste aflevering van de hit televisieserie De Luizenmoeder. Juf Ank gaat de openbare basisschool De Klimop verruilen voor de christelijke basisschool De Strohalm.

De karakters worden met liefde neergezet, in de serie, maar oh…, vlijmscherp is de kritiek van juf Ank op de ouders van de openbare basisschool die hun kinderen inzetten om hun eigen bodemloze bestaan te fiksen.


Ik was benieuwd waar deze wending naar de christelijke school vandaan kwam. Het bleek dat eerder al geloof een thema was in het oeuvre van Diederik Ebbinge, die samen met Ilse Warringa de serie schreef. Hij maakte en regisseerde een film over een man uit een streng gereformeerd milieu (Matterhorn, 2013). In een interview met Filmtotaal zegt hij over de ontwikkeling van de hoofdpersoon: “Fred laat de dogmatiek voor wat het is, maar hij verlaat het geloof niet. Op die manier vind ik geloof prachtig. Hij is er niemand mee tot last en bevrijdt zichzelf.” Wat Ebbinge zelf van het geloof vindt, wordt hier niet zo duidelijk. Wel als hij praat over zijn gelovige opvoeding.

Ebbinge is christelijk opgevoed. Hij legt in datzelfde interview de nadruk op het niet benauwde en niet dogmatische van zijn opvoeding, die in tegenstelling staat tot de strenge gemeenschap van de hoofdpersoon uit zijn film. “Mijn vader was doopsgezind en mijn moeder vrijzinnig protestants, dus echt de vrijzinnige hoek. Ik heb daar heel veel van meegekregen want het prikkelde mijn fantasie enorm. Achter die vrijzinnigheid zit totaal geen dwang. Er waren vrouwelijke predikanten voordat er zelfs stemrecht voor vrouwen was. Homo’s zijn bij vrijzinnigen nooit een probleem geweest. Zelfs de vraag of God bestaat doet er eigenlijk helemaal niet toe. Het is een filosofische manier van in het leven staan zonder dogmatiek.”

Ebbinge zegt ook: “Je kunt tegenwoordig eigenlijk bijna niet meer zeggen dat je niets tegen het geloof hebt. Dan word je haast gelyncht.” In de serie zijn ze daar niet bang voor.

De monoloog van Juf Ank over haar overstap naar de christelijke school is geheel in lijn met de vrijzinnige gelovige opvoeding van Ebbinge. Het gaat om elkaar dragen, vertrouwen in elkaar, geborgenheid, steun, mogen falen. Besef dat we deel uitmaken van een groter geheel. Juf Ank noemt het een sprookje van geloof, hoop en liefde. Het mooie is dat seculiere kijkers zich hierdoor aangesproken kunnen voelen. Geloof als een sprookje, dat gaat nog wel. God nu ja, dat is moeilijk te begrijpen, maar geborgenheid en steun, dat is een groot verlangen.

De serie raakt ook een andere geloofsligging. De school waar Juf Ank heen gaat, heet ‘De Strohalm.’ Is die naam een knipoog naar ‘Het Gekrookte Riet’, een streng bevindelijk-gereformeerde groep, waar Ebbinga in zijn research voor de Matterhorn vast mee in aanraking is geweest? Een steek naar dogmatisme en benauwd christendom? Misschien. Aan een steek ontkomt niets en niemand in deze serie.

In de naam De Klimop zit de aansporing om op te klimmen. Omhoog moet je, op eigen kracht, aan jezelf overgeleverd. Aan een strohalm kunnen ouders en kinderen zich vasthouden. In de uitdrukking waar de naam vandaan komt, gaat het om de ‘laatste strohalm’. Als we die laatste strohalm niet vastgrijpen, gaan we ten onder, is de suggestie. De school deze naam geven, is een tragikomische overdrijving waarin een diepe overtuiging huist: geloof als laatste hoop op redding.

Het Mirjam en Mozes spel

Oh, nu ben ik benieuwd! Morgen gaan Janneke Nijboer en ik het Mirjam en Mozes leiderschaps-spel doen met pioniers uit de protestantse kerk op een teamtraining. Een zelfgemaakt coachings-spel aan de hand van het leven van Mozes en Mirjam. Situaties uit de bijbel, volksverhalen, de Mechilta en de Perkei Avot, toegepast op pionieren. Bij het oefenen van het spel vanochtend, gebeurde er iets wonderlijks.

Een van de spelmomenten is, dat je een dichte kaart pakt met de vraag: “Wat heb ik nodig om de volgende stap te zetten?” Ik kreeg de kaart ‘Juwelen’. Wanneer Mozes alsmaar op de Horeb is en niet terugkomt, wordt aan de vrouwen gevraagd hun juwelen af te geven om het gouden kalf te smeden. De vrouwen deden dat niet. Ze gaven hun juwelen niet af. Ze bleven vertrouwen. De steekwoorden op de kaart gaan over geduld hebben, afwezigheid verdragen, van God, van deelnemers, en om het bieden van vertrouwen aan mensen die er niet meer in geloven.


Toen ik dit allemaal las, herinnerde ik me, dat ik deze kaart van naam veranderd had. Hij heette niet meer ‘Juwelen’, maar ‘Afwezigheid’, en had een andere afbeelding gekregen. Ik had er een andere kaart van gemaakt. De kaart die ik nu getrokken had, hoorde helemaal niet meer in het spel. Die had eruit gemoeten. Ik ging zoeken. Had ik een oude versie van het spel, zat die nieuwe veranderde kaart er wel in? Dat was zo. Beide kaarten zaten in het spel. Het zette mij aan het denken, waarom ik nu juist deze kaart ‘Juwelen’ had gekregen en niet de kaart ‘Afwezigheid’? Had dat misschien iets te maken met mijn probleem waar ik het spel voor speelde? Waarom had ik juist het niet- afgeven-van- juwelen voor een gouden kalf nodig?

Ik herkende het. Vertrouwen, blijven geloven, bleef belangrijk. Maar de kaart zei me ook: ‘Let op, je hebt iets kostbaars, geef dat niet weg. Verkwansel het niet’. Misschien zelfs wel, ‘Let op, jij bent kostbaar, heb je dat wel door?’ Deze zaken had ik nodig in de situatie waar het om ging.

Voor pioniers kan dit belangrijk zijn, op bepaalde momenten in de pioniersreis. Iets kostbaars te hebben of te willen met je plek, beseffen dat je dat niet wilt opgeven voor een doel dat het visioen niet dient, nadenken hoe je daar dan voor kan zorgen. Het besef dat jij kostbaar bent voor God, voor ieder die je ontmoet, voor je team, voor de deelnemers, voor de kerkenraad.

Ik laat beide kaarten in het spel, en geef aan de kaart ‘Juwelen’, deze nieuwe betekenis mee. En ben nu heel benieuwd of iemand dat morgen nodig heeft, net als ik vandaag.

Madonna Del Mare Nostrum

In de Bethelkapel in Den Haag is nu al meer dan 1000 uur onafgebroken een kerkdienst bezig voor Armeens gezin dat hier 9 jaar woont en uitgezet dreigt te worden. Ook is het een pleidooi voor een ruimere toepassing van het kinderpardon voor de 400 gewortelde kinderen. Het gezin verblijft in een inpandige voormalige kosterwoning. Zolang de kerkdienst duurt, valt de vreemdelingendienst niet binnen. Ik ging een aantal uren voor in Bethel, in de nacht. We waren met z’n zessen. De familie sliep. De kerk was stil en ruim.

Voorin de kerk staat een schilderij van Maria: Madonna Del Mare Nostrum. Het is geschonken gedurende het asiel. In die nacht keken we meditatief naar dit beeld van Maria met kind. Maria rijst op uit de zee en is gewikkeld in een gouden nooddeken. Zo eentje als vluchtelingen om zich heen krijgen als ze uit hun bootje op de Middellandse Zee zijn opgepikt. We keken met de vraag, wat zij ons gaf.



Het was de eerste keer dat ik deze Madonna in het echt zag. Het beeld stond er nog niet toen ik er het eerste weekend was. Ik keek.

Het was donker in de kerk. Met gejaagde ogen keek Maria mij aan. Ik schrok ervan, gewend als ik ben aan zoete Maria’s, moederlijke Maria’s, vergevende Maria’s, en ook ongenaakbare, strenge Zwarte Madonna’s. Bijna altijd stijgen ze boven onze ellende uit. Steunen, troosten. Er zijn zelfs Maria’s met een heel wijde mantel, waar iedereen onder schuilen kan.

Maar zo was zij niet. Deze Maria was armer en behoeftiger dan ik. Ik was degene die haar troost moest bieden, een tandenborstel, warme soep, sokjes voor de blote voetjes van het kindje, en toegang tot Europa. “Is dit Maria wel?’, dacht ik. “En wat doe ik mijzelf en de kerkgangers aan, met deze meditatie?” Zo heftig was het.

Het is altijd spannend in de Bethelkapel met het kerkasiel. Zeker in de nacht. Je weet, als de IND het gezin komt ophalen, gebeurt dat ‘s nachts. En toen, terwijl ik keek naar Maria in die nooddeken, gebeurde er iets.

Ik kreeg het koud. Ik kreeg het zo ontzettend koud. En echt, ik had me warm aangekleed, met een dikke trui, tegen de kou van de nacht. Hoe langer ik keek, hoe kouder ik het kreeg. Ik werd zelf Maria in de nooddeken, die daar stond in de zee. De kou die ik voelde kwam als een schok. Koud, nat, eenzaam. Behoeftig.

Ik zat niet meer in de comfortabele positie dat ik hulp bood aan een vreemdeling, aan de ‘ander’ of de ‘Ander’ in de zee, aan de onaanzienlijke, de hongerige waar Jezus over spreekt in het evangelie van Mattheus. Met als opdracht die te voeden, kleden en op te nemen.

Nee, ik was Maria zelf in de zee met een kind op mijn arm. Het was gek. Ik was naar Bethel toegegaan vanuit mijn veilige situatie, met een paspoort in de la, om een aantal uren de kerkdienst te doen. En toen draaide alles om en was ik op dat moment zelf de ‘ander’, de vreemde, die vluchteling. In de zee. Koud was ik, alleen maar koud. Letterlijk. Het was een lichamelijke sensatie. Maar daar stopte het niet mee.

Er borrelde liefde op in mij, zachtheid, warmte. Het kwam ergens uit mijn hart. Het was niet zo dat de kou stopte. Maar die zachtheid was er ook. Die vervulde me en bewoog me. De schittering van de nooddeken werd als goud, liefde, die haar omringt en die tegelijkertijd opwelde in mijn hart. Wat mij gebeurde was geen puur individuele ervaring. Het zit diep in onze traditie verankerd.

Het is een meditatieve beweging, die gaat van afschuw en schrik, naar vereenzelviging: een lichamelijke sensatie van pijn en lijden, die dan weer verandert in liefde. In één grote gebeurtenis.

We zien die bij Franciscus. Eenzaam, vastend op een berg, ziet hij in een visioen een engel die tegelijkertijd Christus is, aan het kruis. Franciscus werd bewogen. Voelde de liefde van Christus voor hem, en voelde ook zijn pijn. Hij vereenzelvigde zich met Jezus. Wist niet meer wat van wie was, en draagt vanaf dan de kruiswonden in zijn eigen lichaam, in zijn handen en voeten en zijn zij. Met als opdracht zich om te vormen tot Christus.

Ook bij Theresa van Avila is deze innerlijke beweging te vinden. In een visioen neemt Christus het kruis van haar rozenkrans in zijn handen. Als ze die van hem terugkrijgt, ziet ze de afgebeelde wonden als vier grote edelstenen, kostbaarder dan diamant: “Ik zag het hout niet meer waarvan het gemaakt was.”

Deze innerlijke meditatieve weg zit in onze traditie, maar hij wordt niet meer onderwezen. Die weg loopt van zien, schrik en afschuw, naar de lichamelijke ervaring van pijn in vereenzelviging, en leidt tot grote liefde. Deze Madonna in haar nooddeken, geeft ons die kennis terug.

Een nacht in de Bethelkapel



Het was kwart over vijf in de ochtend. We zaten vanaf drie uur ‘s nachts bij elkaar in de Bethelkapel in Den Haag, waar kerkasiel verleend wordt. Ik had al twee keer de zegen gegeven en was daarna weer de dienst opnieuw begonnen met “Wees hier aanwezig, en kom ons bevrijden.” In Bethel is al meer dan drie weken dag en nacht een kerkdienst aan de gang. Dit is om de politiek de kans te geven zich te bezinnen op de uitzetting van Hayarpi en haar familie en om aandacht te vragen voor een ruimere toepassing van het kinderpardon. We waren met z’n vieren. Een paar nachtvlinders waren weggegaan om nog even te slapen en voor de early risers was het nog te vroeg.

We mediteerden op een vers uit psalm 114: “Hij verandert de rots in een bron, hard gesteente in een stroom van water.” Het was onze derde meditatie. In iedere dienst zat één. We waren vijf minuten stil en hielden dan een ronde voor wie een ervaring wilde delen.

Vierend waken in de nacht is intens. Rond vijven voel je de nacht verschuiven naar de morgen. Er komt meer haast. Meer urgentie.

Ik voelde gedurende die meditatie dat ik van een harde rots veranderde in een stroom van levend water en de IND en de politiek gingen er in mee. Toen we ervaringen gingen delen, schoof mijn buurman het Liedboek naar me toe: “Dit past hier precies bij”. Het was: “De steppe zal bloeien.”

Dat hele grote van ons geloof, dat alles goed zal komen voor iedereen. Dat zit in dit lied. Iedereen komt thuis in het lied. En de doden gaan leven. Je zingt het alleen met Pasen. Anders zing je het kapot. En met een volle kerk, uit volle borst. Hier waren wij in die grote kerk, we hielden de wacht en de hoop levend, met z’n vieren.

En we zongen het. En het klonk in de hoogte en het klonk in de laagte. De tonen vlogen naar buiten, naar de slapende familie boven, langs de lichtjes voor in de kerk, met zoveel hoop ontstoken onder de Madonna della Nostra, die oprijst uit de zee met haar kind op de arm en haar nooddeken om. En de rotsen gingen open.

Zo was dat in die nacht.

Kerkasiel familie Tamrazyan Bethel Den Haag


Eerst ging er een luikje open. Door tralies heen werd onderzoekend gekeken: Wie zijn jullie? Opluchting, we waren voorgangers, niet de IND. Het is menens in de Bethelkerk Den Haag.

Sinds vrijdagmiddag 26 oktober wordt er doorlopend een kerkdienst gehouden. Kerkasiel voor de familie Tamrazyan. Hun drie kinderen die geworteld zijn in Nederland, komen toch niet in aanmerking voor het kinderpardon. Rust voor de familie, opnieuw beraad en aandacht voor het kinderpardon. Dat is de intentie.

Wil je meedoen aan deze enorme onderneming, een tijdje in de kerk zitten? Meebidden en zingen? Dag en nacht ben je welkom, ook als je niks met de kerk hebt. Bondgenootschap. Thomas Schenkestraat 30, Den Haag. Het luikje gaat open en dan de deur!

De pionier en de dominee als klein ondernemertje

20181007_141718.jpg

Ik ging laatst naar een lezing van een beroemde leraar in het boeddhisme. Ze sprak op de “Inner Peace Conference”, een conferentie in Amsterdam. Daar liep ik tegen een interessante muur op, die relevant is voor ons als pioniers, dominees en kerkelijk werkers. De lezing was van Lama Tsultrim Allione, een boeddhistische vrouwelijke leraar uit de VS. Ik weet dat ze haar best doet om gemeenschappen te stichten in verschillende landen. Dat doen wij ook in de pioniersbeweging, dus ik was benieuwd hoe dat ging. Ik sprak vrouwen aan die een tafeltje hadden met folders en boeken en vroeg of ze een gemeenschap hadden. Wat bleek, het enige wat er was, waren cursussen! Niks gemeenschap. Nou, ik vond dat zo mager en heel erg sneu voor ze. Dat ze niets anders hadden om bij elkaar te komen dan een rottige cursus.

Het waren cursussen die deze vrouwen zelf gaven. Ze waren opgeleid door Lama Tsultrim, en in hun cursussen onderwezen ze een bepaalde oefening van haar, gestoeld op de oude Tibetaans boeddhistische chödceremonie, gecontextualiseerd voor het westen. De vrouw met wie ik sprak, wees me op de emaillijst van hun cursussen. Ik was misschien wel geïnteresseerd. Ik zei dat ik die oefening vaak deed en goed kende. “Veel mensen kennen hem.” zei ze, “maar dan kan een opfrisser heel goed zijn.” Ik vond daar wel wat inzitten, maar toen bleken hun cursussen een weekend lang te duren. Er waren wel oefenavonden, maar daar mocht je pas aan meedoen als je hun weekendcursus had gevolgd. “Nou,” zei ik toen, “voor mij is dat te duur”. Ik verplaatste me vervolgens naar de zijkant van de tafel, want er wilde misschien iemand anders met haar spreken. Ik was immers geen potentiele afnemer meer.

Het kon nog even. “Doen jullie ook Chöd?” vroeg ik. Chöd is die oude boeddhistische ceremonie, die Lama Tsultrim doorgeeft, en die ik ook beoefen, maar dan een variant. Dit deden ze inderdaad, in kleine groepjes, min of meer in het geheim. Dat is zo de gewoonte. Ik vertelde haar over de chödceremonies die ik samen met een vriend deed voor mensen thuis. Ik zei dat we dit op donatiebasis deden. “Oh, echt zoals het hoort in de boeddhistische traditie”, zei ze. Ik merkte dat ze zich schuldig voelde, zij vroeg dik geld voor haar cursussen. Werken op donatie is een manier om het onderwijs voor iedereen bereikbaar te houden en daarmee ook de verlichting. Dat is essentieel, want dat is waar je het voor doet, dat iedereen op dat punt belandt. Ik vertelde dat we de ceremonie niet in het Tibetaans, maar in het Nederlands uitvoerden, voor maximale toegang. Toen stopte de conversatie. Ik stuitte op een muur. Er was geen enkele interesse. Ik bedoel, hoe interessant is dat. Je ontmoet iemand die tot een duo behoort die chödceremonies voor mensen uitvoert. Dat is uniek in Nederland. En dan ook nog in het Nederlands, dat is ook uniek, en dan ben je niet geïnteresseerd!

Ze wilde mogelijk het nare gevoel van schaamte vermijden, en mij dus ook. En er zal ook enige rivaliteit zijn tussen de verschillende chödtradities. Maar haar gebrek aan interesse kwam denk ik vooral door het verdienmodel van ‘het kleine ondernemertje’. Ze moest geld verdienen aan mij. En ik nam niet af. Dus was ze niet geïnteresseerd. Ik was misschien zelfs wel een concurrent. Ondernemerschap, waarbij je direct betaald wordt door de klant die je dienst afneemt, betekent een rem op uitwisseling, op contact. Je kijkt alleen naar het directe korte termijn belang van het inkomen dat je moet verwerven. En zo zal, dat doel van verlichting voor ieder in hun onderricht een archaïsch artefact worden en uit het zicht verdwijnen. Tot er natuurlijk iemand opstaat en dat weer in het licht zet. Daarom denk ik, is er ook geen gemeenschap ontstaan. Daar hebben ze geen belang bij.

Predikanten en kerkelijk werkers worden op dit moment niet per handeling betaald. Ze ontvangen niet per dienst direct geld van hun afnemers. Ze krijgen een som geld waar ze alles voor doen. Hun inkomen hangt niet af van hun succes en de hoeveelheid kerkgangers, dopelingen of leden die ze aanbrengen. Probleem alleen is, dat er geen geld meer is in de kerk. En dat dit toch ergens vandaan moet komen. Er wordt daarom binnen Op Goed Gerucht, bij de opleiding tot predikant en binnen de pioniersgemeenschap wel geopperd dat het goed zou zijn wanneer predikanten en pioniers de boer op gaan om geld te verdienen met het evangelie en de vaardigheden die zij ontwikkeld hebben in hun werk en opleiding. Bijvoorbeeld als coach, inspirerend spreker of als begeleider van christelijke ceremonies voor mensen buiten de kerk. Pioniers, predikanten en kerkelijk werkers worden dan kleine ondernemertjes, zoals de vrouwen die ik ontmoette. Voor sommige pioniersplekken zou het een geschikte vorm kunnen zijn om financieel zelfstandig te worden. Gemeentepredikanten zouden hiermee naast hun steeds kleinere aanstelling, geld kunnen verdienen. Op Goed Gerucht heeft er afgelopen juni een studiedag aan gewijd en er wordt nu een haalbaarheidsonderzoek gedaan of het werkbaar zou kunnen zijn voor predikanten en kerkelijk werkers. Bij de Remonstranten proberen ze dit nu uit in ‘vernieuwingsplekken’. Er worden vernieuwingspredikanten aangesteld die drie jaar tijd krijgen om naast hun werk in de gemeente nieuwe betrokkenen te werven en een stroom van geld op gang te brengen met hun initiatieven.

Dit ondernemerschap heeft dus nadelen. Predikanten worden elkaars concurrenten. Er is geen interesse meer in wat andere pastores doen. Inzet voor een gemeenschap die verder reikt dan noodzakelijk voor het inkomen, ontbreekt. Er is alleen aandacht voor iemand die een klant is. Een doel dat niet in het belang is van de afnemer, zoals de nood in de wereld, de nood direct om ons heen, of een politieke stellingname die tegen het belang van de afnemers ingaat, verdwijnt uit het oog. Het evangelie kan niet meer vrij verkondigd worden, in al zijn heilzame en profetische gestalten. De vrijheid van Christus en van het woord is niet meer gewaarborgd. Er is alleen aandacht voor het korte termijnbelang. Het langere termijnbelang verdwijnt.

Als pionier in Breda ben ik zelf in die val van de korte termijn gelopen. Ik was daar weliswaar geen kleine ondernemer, afhankelijk van klanten, maar ik was wel afhankelijk van deelnemersaantallen. Het was een pioniersplek van een plaatselijke gemeente en het voortbestaan was bedreigd. Iemand van de buiten de kerk, bood aan workshops te geven. Ik schatte in dat die weinig deelnemers zouden trekken. Voor de korte termijn leek het een slimme keuze om niet in te gaan op het aanbod; ik wilde veel deelnemers trekken. Maar voor de lange termijn was het geen goede keuze. Diegene had zich gezien gevoeld en de kans was groot geweest dat die meer betrokken was geraakt bij de pioniersplek, en daar gaat het om. Ik heb nog altijd spijt als ik er aan denk.

Al in de vroege kerk was er discussie of voorgangers direct betaald moesten worden door individuele gemeenteleden of dat ze een som geld moesten krijgen uit de hele gemeente. Dit laatste heeft de voorkeur gekregen. Maar het is dus al een hele oude discussie.

Het krachtvoorwerp


Ik maakte een krachtvoorwerp. En kwam uit op de lofzang op Prajnaparamita uit de chödceremonie.

Het was in een godinnentempel. Daar doe ik mee aan een inspiratiegroep die eens in de maand bij elkaar komt. De priesteres van de tempel had een klein oventje gekocht. En daarom gingen we van fimoklei krachtvoorwerpen maken, vormen, hangers voor aan een ketting. Het moest een half uur in de oven. Het kon diezelfde avond nog mee naar huis. We maakten dat voorwerp voor elkaar. Welke vorm dat zou zijn, lieten we opkomen door koffiedik te kijken. In koffiedik zijn altijd van allerlei figuren te zien. We dronken Turkse koffie, aten cake uit de nieuwe oven, stukjes Tony Chocolony knisperchocola en herfstbonbons, en hadden veel plezier.

Ik duidde het koffiedik in het kopje van iemand die van flinke discussies houdt. Die worden vooral op Facebook gevoerd. Ik schrik van die discussies als ik door mijn Facebookfeed scroll. Ze benemen me de adem, woede springt over, maar degene van wie ik het kopje las, heeft er plezier in. In het koffiedik zag ik grote kracht oprijzen, als een vulkaan. En ik zag ook vechtende figuren. Zijzelf zag die ook. Ik dacht, ik maak een vulkaan. Maar die mislukte. Het werd een raar driehoekje.

Fimoklei is hard, dat moet je een tijdje kneden. Eerder op de avond had ik zwart en wit door elkaar gemengd en er een bolletje van gemaakt. Je zag het wit en het zwart nog als aparte kleuren. Ik nam dat bolletje voor een nieuwe poging. Ik drukte het plat en het werd een rond schijfje. In het spel van zwart en wit in de ronde schijf was een soort vulkaan te zien. Niks meer aan doen, dacht ik. De vrouw voor wie het was, zag in het zwart en het wit haar Facebookdiscussies. Het debat waar ze van houdt, kost haar ook wat. Mensen ontvrienden haar of worden onredelijk. Toen ik vroeg wat de kracht van dit voorwerp voor haar was, zei ze: “Mezelf zijn, zoals ik ben.” Zij heeft een missie om standpunten met argumenten onderbouwd de wereld in te brengen, mensen daarmee te informeren en te overtuigen. Daar doet ze het voor.

Later dacht ik, ik heb het voorwerp weliswaar voor haar gemaakt, maar is het niet ook een krachtvoorwerp voor mij? Je kunt van alles in het koffiedik zien; het is een multi-interpretabel goedje. Ik was degene die de vulkaan in haar kopje zag en vechtende figuren. En ik ben het ook die schrikt wanneer ik door mijn feed scroll en die stevige discussies tegenkom. Wat is dan de kracht van dit voorwerp voor mij?

Aan het einde van de chödceremonie zingen we een lofzang op Pranjaparamita, de moeder van alle boeddha’s en ook die van ons. We danken haar dat ze ons ‘aardse dingen’ geeft die we nodig hebben. Die aardse dingen zijn zaken die vreugde geven en ook dingen die ons pijn doen. Door Chöd te beoefenen, gaan we ervaren dat die beide zaken eender zijn in ons, de vreugde en de pijn, de woede en de liefde. We bidden daarvoor in die lofzang, met de woorden: “dat de pijn en vreugde in mij zijn als eender, en dat ik zo het pad voltooi”. Dat je ze tegelijk ervaart. Allebei, in één teug! Bam! Het zwarte en het witte door elkaar, gevat in die platte ronde schijf, drukt dat uit.

No worries dus wanneer de vulkaan van boosheid in mij oprijst, bij het scrollen door mijn Facebookfeed, en ook op andere momenten. Laat vreugde en bliss mijn deel zijn wanneer mijn adem stokt en woede mij vervult. Daar herinnert dit krachtvoorwerp mij aan.