Madonna Del Mare Nostrum

In de Bethelkapel in Den Haag is nu al meer dan 1000 uur onafgebroken een kerkdienst bezig voor Armeens gezin dat hier 9 jaar woont en uitgezet dreigt te worden. Ook is het een pleidooi voor een ruimere toepassing van het kinderpardon voor de 400 gewortelde kinderen. Het gezin verblijft in een inpandige voormalige kosterwoning. Zolang de kerkdienst duurt, valt de vreemdelingendienst niet binnen. Ik ging een aantal uren voor in Bethel, in de nacht. We waren met z’n zessen. De familie sliep. De kerk was stil en ruim.

Voorin de kerk staat een schilderij van Maria: Madonna Del Mare Nostrum. Het is geschonken gedurende het asiel. In die nacht keken we meditatief naar dit beeld van Maria met kind. Maria rijst op uit de zee en is gewikkeld in een gouden nooddeken. Zo eentje als vluchtelingen om zich heen krijgen als ze uit hun bootje op de Middellandse Zee zijn opgepikt. We keken met de vraag, wat zij ons gaf.



Het was de eerste keer dat ik deze Madonna in het echt zag. Het beeld stond er nog niet toen ik er het eerste weekend was. Ik keek.

Het was donker in de kerk. Met gejaagde ogen keek Maria mij aan. Ik schrok ervan, gewend als ik ben aan zoete Maria’s, moederlijke Maria’s, vergevende Maria’s, en ook ongenaakbare, strenge Zwarte Madonna’s. Bijna altijd stijgen ze boven onze ellende uit. Steunen, troosten. Er zijn zelfs Maria’s met een heel wijde mantel, waar iedereen onder schuilen kan.

Maar zo was zij niet. Deze Maria was armer en behoeftiger dan ik. Ik was degene die haar troost moest bieden, een tandenborstel, warme soep, sokjes voor de blote voetjes van het kindje, en toegang tot Europa. “Is dit Maria wel?’, dacht ik. “En wat doe ik mijzelf en de kerkgangers aan, met deze meditatie?” Zo heftig was het.

Het is altijd spannend in de Bethelkapel met het kerkasiel. Zeker in de nacht. Je weet, als de IND het gezin komt ophalen, gebeurt dat ‘s nachts. En toen, terwijl ik keek naar Maria in die nooddeken, gebeurde er iets.

Ik kreeg het koud. Ik kreeg het zo ontzettend koud. En echt, ik had me warm aangekleed, met een dikke trui, tegen de kou van de nacht. Hoe langer ik keek, hoe kouder ik het kreeg. Ik werd zelf Maria in de nooddeken, die daar stond in de zee. De kou die ik voelde kwam als een schok. Koud, nat, eenzaam. Behoeftig.

Ik zat niet meer in de comfortabele positie dat ik hulp bood aan een vreemdeling, aan de ‘ander’ of de ‘Ander’ in de zee, aan de onaanzienlijke, de hongerige waar Jezus over spreekt in het evangelie van Mattheus. Met als opdracht die te voeden, kleden en op te nemen.

Nee, ik was Maria zelf in de zee met een kind op mijn arm. Het was gek. Ik was naar Bethel toegegaan vanuit mijn veilige situatie, met een paspoort in de la, om een aantal uren de kerkdienst te doen. En toen draaide alles om en was ik op dat moment zelf de ‘ander’, de vreemde, die vluchteling. In de zee. Koud was ik, alleen maar koud. Letterlijk. Het was een lichamelijke sensatie. Maar daar stopte het niet mee.

Er borrelde liefde op in mij, zachtheid, warmte. Het kwam ergens uit mijn hart. Het was niet zo dat de kou stopte. Maar die zachtheid was er ook. Die vervulde me en bewoog me. De schittering van de nooddeken werd als goud, liefde, die haar omringt en die tegelijkertijd opwelde in mijn hart. Wat mij gebeurde was geen puur individuele ervaring. Het zit diep in onze traditie verankerd.

Het is een meditatieve beweging, die gaat van afschuw en schrik, naar vereenzelviging: een lichamelijke sensatie van pijn en lijden, die dan weer verandert in liefde. In één grote gebeurtenis.

We zien die bij Franciscus. Eenzaam, vastend op een berg, ziet hij in een visioen een engel die tegelijkertijd Christus is, aan het kruis. Franciscus werd bewogen. Voelde de liefde van Christus voor hem, en voelde ook zijn pijn. Hij vereenzelvigde zich met Jezus. Wist niet meer wat van wie was, en draagt vanaf dan de kruiswonden in zijn eigen lichaam, in zijn handen en voeten en zijn zij. Met als opdracht zich om te vormen tot Christus.

Ook bij Theresa van Avila is deze innerlijke beweging te vinden. In een visioen neemt Christus het kruis van haar rozenkrans in zijn handen. Als ze die van hem terugkrijgt, ziet ze de afgebeelde wonden als vier grote edelstenen, kostbaarder dan diamant: “Ik zag het hout niet meer waarvan het gemaakt was.”

Deze innerlijke meditatieve weg zit in onze traditie, maar hij wordt niet meer onderwezen. Die weg loopt van zien, schrik en afschuw, naar de lichamelijke ervaring van pijn in vereenzelviging, en leidt tot grote liefde. Deze Madonna in haar nooddeken, geeft ons die kennis terug.

Een nacht in de Bethelkapel



Het was kwart over vijf in de ochtend. We zaten vanaf drie uur ‘s nachts bij elkaar in de Bethelkapel in Den Haag, waar kerkasiel verleend wordt. Ik had al twee keer de zegen gegeven en was daarna weer de dienst opnieuw begonnen met “Wees hier aanwezig, en kom ons bevrijden.” In Bethel is al meer dan drie weken dag en nacht een kerkdienst aan de gang. Dit is om de politiek de kans te geven zich te bezinnen op de uitzetting van Hayarpi en haar familie en om aandacht te vragen voor een ruimere toepassing van het kinderpardon. We waren met z’n vieren. Een paar nachtvlinders waren weggegaan om nog even te slapen en voor de early risers was het nog te vroeg.

We mediteerden op een vers uit psalm 114: “Hij verandert de rots in een bron, hard gesteente in een stroom van water.” Het was onze derde meditatie. In iedere dienst zat één. We waren vijf minuten stil en hielden dan een ronde voor wie een ervaring wilde delen.

Vierend waken in de nacht is intens. Rond vijven voel je de nacht verschuiven naar de morgen. Er komt meer haast. Meer urgentie.

Ik voelde gedurende die meditatie dat ik van een harde rots veranderde in een stroom van levend water en de IND en de politiek gingen er in mee. Toen we ervaringen gingen delen, schoof mijn buurman het Liedboek naar me toe: “Dit past hier precies bij”. Het was: “De steppe zal bloeien.”

Dat hele grote van ons geloof, dat alles goed zal komen voor iedereen. Dat zit in dit lied. Iedereen komt thuis in het lied. En de doden gaan leven. Je zingt het alleen met Pasen. Anders zing je het kapot. En met een volle kerk, uit volle borst. Hier waren wij in die grote kerk, we hielden de wacht en de hoop levend, met z’n vieren.

En we zongen het. En het klonk in de hoogte en het klonk in de laagte. De tonen vlogen naar buiten, naar de slapende familie boven, langs de lichtjes voor in de kerk, met zoveel hoop ontstoken onder de Madonna della Nostra, die oprijst uit de zee met haar kind op de arm en haar nooddeken om. En de rotsen gingen open.

Zo was dat in die nacht.

Kerkasiel familie Tamrazyan Bethel Den Haag


Eerst ging er een luikje open. Door tralies heen werd onderzoekend gekeken: Wie zijn jullie? Opluchting, we waren voorgangers, niet de IND. Het is menens in de Bethelkerk Den Haag.

Sinds vrijdagmiddag 26 oktober wordt er doorlopend een kerkdienst gehouden. Kerkasiel voor de familie Tamrazyan. Hun drie kinderen die geworteld zijn in Nederland, komen toch niet in aanmerking voor het kinderpardon. Rust voor de familie, opnieuw beraad en aandacht voor het kinderpardon. Dat is de intentie.

Wil je meedoen aan deze enorme onderneming, een tijdje in de kerk zitten? Meebidden en zingen? Dag en nacht ben je welkom, ook als je niks met de kerk hebt. Bondgenootschap. Thomas Schenkestraat 30, Den Haag. Het luikje gaat open en dan de deur!

De pionier en de dominee als klein ondernemertje

20181007_141718.jpg

Ik ging laatst naar een lezing van een beroemde leraar in het boeddhisme. Ze sprak op de “Inner Peace Conference”, een conferentie in Amsterdam. Daar liep ik tegen een interessante muur op, die relevant is voor ons als pioniers, dominees en kerkelijk werkers. De lezing was van Lama Tsultrim Allione, een boeddhistische vrouwelijke leraar uit de VS. Ik weet dat ze haar best doet om gemeenschappen te stichten in verschillende landen. Dat doen wij ook in de pioniersbeweging, dus ik was benieuwd hoe dat ging. Ik sprak vrouwen aan die een tafeltje hadden met folders en boeken en vroeg of ze een gemeenschap hadden. Wat bleek, het enige wat er was, waren cursussen! Niks gemeenschap. Nou, ik vond dat zo mager en heel erg sneu voor ze. Dat ze niets anders hadden om bij elkaar te komen dan een rottige cursus.

Het waren cursussen die deze vrouwen zelf gaven. Ze waren opgeleid door Lama Tsultrim, en in hun cursussen onderwezen ze een bepaalde oefening van haar, gestoeld op de oude Tibetaans boeddhistische chödceremonie, gecontextualiseerd voor het westen. De vrouw met wie ik sprak, wees me op de emaillijst van hun cursussen. Ik was misschien wel geïnteresseerd. Ik zei dat ik die oefening vaak deed en goed kende. “Veel mensen kennen hem.” zei ze, “maar dan kan een opfrisser heel goed zijn.” Ik vond daar wel wat inzitten, maar toen bleken hun cursussen een weekend lang te duren. Er waren wel oefenavonden, maar daar mocht je pas aan meedoen als je hun weekendcursus had gevolgd. “Nou,” zei ik toen, “voor mij is dat te duur”. Ik verplaatste me vervolgens naar de zijkant van de tafel, want er wilde misschien iemand anders met haar spreken. Ik was immers geen potentiele afnemer meer.

Het kon nog even. “Doen jullie ook Chöd?” vroeg ik. Chöd is die oude boeddhistische ceremonie, die Lama Tsultrim doorgeeft, en die ik ook beoefen, maar dan een variant. Dit deden ze inderdaad, in kleine groepjes, min of meer in het geheim. Dat is zo de gewoonte. Ik vertelde haar over de chödceremonies die ik samen met een vriend deed voor mensen thuis. Ik zei dat we dit op donatiebasis deden. “Oh, echt zoals het hoort in de boeddhistische traditie”, zei ze. Ik merkte dat ze zich schuldig voelde, zij vroeg dik geld voor haar cursussen. Werken op donatie is een manier om het onderwijs voor iedereen bereikbaar te houden en daarmee ook de verlichting. Dat is essentieel, want dat is waar je het voor doet, dat iedereen op dat punt belandt. Ik vertelde dat we de ceremonie niet in het Tibetaans, maar in het Nederlands uitvoerden, voor maximale toegang. Toen stopte de conversatie. Ik stuitte op een muur. Er was geen enkele interesse. Ik bedoel, hoe interessant is dat. Je ontmoet iemand die tot een duo behoort die chödceremonies voor mensen uitvoert. Dat is uniek in Nederland. En dan ook nog in het Nederlands, dat is ook uniek, en dan ben je niet geïnteresseerd!

Ze wilde mogelijk het nare gevoel van schaamte vermijden, en mij dus ook. En er zal ook enige rivaliteit zijn tussen de verschillende chödtradities. Maar haar gebrek aan interesse kwam denk ik vooral door het verdienmodel van ‘het kleine ondernemertje’. Ze moest geld verdienen aan mij. En ik nam niet af. Dus was ze niet geïnteresseerd. Ik was misschien zelfs wel een concurrent. Ondernemerschap, waarbij je direct betaald wordt door de klant die je dienst afneemt, betekent een rem op uitwisseling, op contact. Je kijkt alleen naar het directe korte termijn belang van het inkomen dat je moet verwerven. En zo zal, dat doel van verlichting voor ieder in hun onderricht een archaïsch artefact worden en uit het zicht verdwijnen. Tot er natuurlijk iemand opstaat en dat weer in het licht zet. Daarom denk ik, is er ook geen gemeenschap ontstaan. Daar hebben ze geen belang bij.

Predikanten en kerkelijk werkers worden op dit moment niet per handeling betaald. Ze ontvangen niet per dienst direct geld van hun afnemers. Ze krijgen een som geld waar ze alles voor doen. Hun inkomen hangt niet af van hun succes en de hoeveelheid kerkgangers, dopelingen of leden die ze aanbrengen. Probleem alleen is, dat er geen geld meer is in de kerk. En dat dit toch ergens vandaan moet komen. Er wordt daarom binnen Op Goed Gerucht, bij de opleiding tot predikant en binnen de pioniersgemeenschap wel geopperd dat het goed zou zijn wanneer predikanten en pioniers de boer op gaan om geld te verdienen met het evangelie en de vaardigheden die zij ontwikkeld hebben in hun werk en opleiding. Bijvoorbeeld als coach, inspirerend spreker of als begeleider van christelijke ceremonies voor mensen buiten de kerk. Pioniers, predikanten en kerkelijk werkers worden dan kleine ondernemertjes, zoals de vrouwen die ik ontmoette. Voor sommige pioniersplekken zou het een geschikte vorm kunnen zijn om financieel zelfstandig te worden. Gemeentepredikanten zouden hiermee naast hun steeds kleinere aanstelling, geld kunnen verdienen. Op Goed Gerucht heeft er afgelopen juni een studiedag aan gewijd en er wordt nu een haalbaarheidsonderzoek gedaan of het werkbaar zou kunnen zijn voor predikanten en kerkelijk werkers. Bij de Remonstranten proberen ze dit nu uit in ‘vernieuwingsplekken’. Er worden vernieuwingspredikanten aangesteld die drie jaar tijd krijgen om naast hun werk in de gemeente nieuwe betrokkenen te werven en een stroom van geld op gang te brengen met hun initiatieven.

Dit ondernemerschap heeft dus nadelen. Predikanten worden elkaars concurrenten. Er is geen interesse meer in wat andere pastores doen. Inzet voor een gemeenschap die verder reikt dan noodzakelijk voor het inkomen, ontbreekt. Er is alleen aandacht voor iemand die een klant is. Een doel dat niet in het belang is van de afnemer, zoals de nood in de wereld, de nood direct om ons heen, of een politieke stellingname die tegen het belang van de afnemers ingaat, verdwijnt uit het oog. Het evangelie kan niet meer vrij verkondigd worden, in al zijn heilzame en profetische gestalten. De vrijheid van Christus en van het woord is niet meer gewaarborgd. Er is alleen aandacht voor het korte termijnbelang. Het langere termijnbelang verdwijnt.

Als pionier in Breda ben ik zelf in die val van de korte termijn gelopen. Ik was daar weliswaar geen kleine ondernemer, afhankelijk van klanten, maar ik was wel afhankelijk van deelnemersaantallen. Het was een pioniersplek van een plaatselijke gemeente en het voortbestaan was bedreigd. Iemand van de buiten de kerk, bood aan workshops te geven. Ik schatte in dat die weinig deelnemers zouden trekken. Voor de korte termijn leek het een slimme keuze om niet in te gaan op het aanbod; ik wilde veel deelnemers trekken. Maar voor de lange termijn was het geen goede keuze. Diegene had zich gezien gevoeld en de kans was groot geweest dat die meer betrokken was geraakt bij de pioniersplek, en daar gaat het om. Ik heb nog altijd spijt als ik er aan denk.

Al in de vroege kerk was er discussie of voorgangers direct betaald moesten worden door individuele gemeenteleden of dat ze een som geld moesten krijgen uit de hele gemeente. Dit laatste heeft de voorkeur gekregen. Maar het is dus al een hele oude discussie.

Het krachtvoorwerp


Ik maakte een krachtvoorwerp. En kwam uit op de lofzang op Prajnaparamita uit de chödceremonie.

Het was in een godinnentempel. Daar doe ik mee aan een inspiratiegroep die eens in de maand bij elkaar komt. De priesteres van de tempel had een klein oventje gekocht. En daarom gingen we van fimoklei krachtvoorwerpen maken, vormen, hangers voor aan een ketting. Het moest een half uur in de oven. Het kon diezelfde avond nog mee naar huis. We maakten dat voorwerp voor elkaar. Welke vorm dat zou zijn, lieten we opkomen door koffiedik te kijken. In koffiedik zijn altijd van allerlei figuren te zien. We dronken Turkse koffie, aten cake uit de nieuwe oven, stukjes Tony Chocolony knisperchocola en herfstbonbons, en hadden veel plezier.

Ik duidde het koffiedik in het kopje van iemand die van flinke discussies houdt. Die worden vooral op Facebook gevoerd. Ik schrik van die discussies als ik door mijn Facebookfeed scroll. Ze benemen me de adem, woede springt over, maar degene van wie ik het kopje las, heeft er plezier in. In het koffiedik zag ik grote kracht oprijzen, als een vulkaan. En ik zag ook vechtende figuren. Zijzelf zag die ook. Ik dacht, ik maak een vulkaan. Maar die mislukte. Het werd een raar driehoekje.

Fimoklei is hard, dat moet je een tijdje kneden. Eerder op de avond had ik zwart en wit door elkaar gemengd en er een bolletje van gemaakt. Je zag het wit en het zwart nog als aparte kleuren. Ik nam dat bolletje voor een nieuwe poging. Ik drukte het plat en het werd een rond schijfje. In het spel van zwart en wit in de ronde schijf was een soort vulkaan te zien. Niks meer aan doen, dacht ik. De vrouw voor wie het was, zag in het zwart en het wit haar Facebookdiscussies. Het debat waar ze van houdt, kost haar ook wat. Mensen ontvrienden haar of worden onredelijk. Toen ik vroeg wat de kracht van dit voorwerp voor haar was, zei ze: “Mezelf zijn, zoals ik ben.” Zij heeft een missie om standpunten met argumenten onderbouwd de wereld in te brengen, mensen daarmee te informeren en te overtuigen. Daar doet ze het voor.

Later dacht ik, ik heb het voorwerp weliswaar voor haar gemaakt, maar is het niet ook een krachtvoorwerp voor mij? Je kunt van alles in het koffiedik zien; het is een multi-interpretabel goedje. Ik was degene die de vulkaan in haar kopje zag en vechtende figuren. En ik ben het ook die schrikt wanneer ik door mijn feed scroll en die stevige discussies tegenkom. Wat is dan de kracht van dit voorwerp voor mij?

Aan het einde van de chödceremonie zingen we een lofzang op Pranjaparamita, de moeder van alle boeddha’s en ook die van ons. We danken haar dat ze ons ‘aardse dingen’ geeft die we nodig hebben. Die aardse dingen zijn zaken die vreugde geven en ook dingen die ons pijn doen. Door Chöd te beoefenen, gaan we ervaren dat die beide zaken eender zijn in ons, de vreugde en de pijn, de woede en de liefde. We bidden daarvoor in die lofzang, met de woorden: “dat de pijn en vreugde in mij zijn als eender, en dat ik zo het pad voltooi”. Dat je ze tegelijk ervaart. Allebei, in één teug! Bam! Het zwarte en het witte door elkaar, gevat in die platte ronde schijf, drukt dat uit.

No worries dus wanneer de vulkaan van boosheid in mij oprijst, bij het scrollen door mijn Facebookfeed, en ook op andere momenten. Laat vreugde en bliss mijn deel zijn wanneer mijn adem stokt en woede mij vervult. Daar herinnert dit krachtvoorwerp mij aan.

Samen

Er waren 500 vrouwen op het Lorelei vrouwenfestival waar ik vrijwilliger was, en waar ik ook chöd beoefende. De tenten stonden hutje aan mutje. Ik wist steeds niet zo goed waar ik kon gaan zitten om niemand te storen. Bel en trom zijn doordringend. Toen ik op een avond op een leeg veld beoefende, kwamen er een paar geschrokken vrouwen met zaklantaarns aanlopen van een naburig veld, 200 meter verderop, om uit te vogelen waar dat heldere belgeluid toch vandaan kwam. Ze vreesden een windorgel dat de hele nacht geluid zou maken en hen uit de slaap zou houden.

Ik beoefende die week voor doorstroming, vooral voor de doorstroming in de toiletblokken, waar ik verantwoordelijk voor was als vrijwilliger. Maar ja, wanneer moest ik dat doen bij de toiletten? Tijdens de workshops was het rustig op de velden, maar niet iedereen ging naar alle workshops. De workshops op Lorelei roepen veel op; deelneemsters hebben hun rust nodig. Wie weet zou er iemand met hoofdpijn in haar tentje liggen, of ziek zijn. De schatten van medevrijwilligers vonden het geen probleem, ze vonden dat ik prima tussen al die tenten in kon beoefenen, zo wie zo. Maar ja.

In Chöd werk je met je angsten, met alles waar je tegenop loopt. Ik liep tegen de angst op te storen met mijn ceremonie. Ik was ook bang dat ze me raar zouden vinden: gek hoedje op mijn hoofd, dijbeentrompetje, gestreept kleedje om. Nogal exotisch allemaal. Maar het gevoel te storen was het sterkste.

Ik besloot als dappere yogini mijn angst lief te hebben en tijdens de middagpauze in vol ornaat met domra op mijn hoofd op de T-splitsing te gaan zitten. Die was op steenworp afstand van twee velden met veel slaaptenten, en een plek waar veel mensen langskwamen. Meteen toen ik het vertelde, sloot zich iemand aan! Een medevrijwilliger ging meespelen met haar mondharp!! Het nam een heel andere draai.


Ze kreeg het benodigde onderricht om mee te mogen spelen en de mantra’s te chanten. We zaten in de zon op het gras. Er gebeurt zoveel wonderlijks op Lorelei, niemand vond het gek. Ik zong. Peggy speelde op haar harp. Het klonk prachtig. De harp zoemde speels rondom het stabiele ritme van bel en trom. De voorbijgangsters ontvingen ons mededogen. Ook de vrouwen, die vlak bij ons op het pad ceremonieel hout aan het stapelen waren, voor het vuurspringen ’s avonds, kregen mededogen toegezoemd, gezongen en gechant. En het hout voor het vuur, de toiletblokken en de borrelende buizen in de wc’s, de tenten, het healingveld, de verwenmarkt en alle vrouwen die er waren. Het was een blessing om te doen samen. De vuurdraak die later in de week verscheen op die plek, was er vast ook dankzij ons!

Chöd - Alleen in het donker, brrrrrrrrr

Als je de Tibetaanse Chöd beoefent, schenk je aandacht aan je angst. Je omarmt die, zodat je ontdekt dat die geen grond heeft. Letterlijk zing je in de ceremonie: “Zegen ons angst te voeren als het Pad”. Je mag dus bang zijn, en je angst zelfs groter maken, zodat je die kunt zien en voeden en je uiteindelijk de opluchting van het mededogen zal voelen, angst en liefde als één en hetzelfde.

Yogi’s en yogini’s in Tibet trokken van enge plaats naar enge plaats, bijvoorbeeld langs crematievelden, waar ze dan in hun eentje gingen zitten beoefenen, liefst diep in de nacht. Die plekken ervoeren ze als zegenrijk, juist omdat ze eng waren. Ze gaven enge plekken aan elkaar door, zoals reizende jongeren in hostels elkaar hun mooie tochten aanraden. Ik had nog nooit in mijn eentje buiten in het donker beoefend. Van de zomer heb ik dat voor het eerst gedaan.

Het was op vrouwenfestival Lorelei, waar ik vrijwilliger was, en de de wc's schoonmmaakte op het terrein van De Banken Zeewolde. Toen er nog geen deelneemsters waren, beoefende ik op een avond op een van de velden. De reden dat ik dat op die plek deed, was aandacht voor een verstopte wc. Chöd doe je om blokkades op te heffen, en een verstopte wc is een blokkade. Het was een immens groot veld waar ik zat, met witte, lege workshoptenten. Akelig verlaten. Het was bijna donker toen ik begon en het werd steeds donkerder. Het licht in de wc's knipte tijdens de beoefening automatisch aan. Ik had een hoofdlamp mee om de tekst te lezen.

20180819_205242.jpg

Het schoot door me heen dat ik aangevallen kon worden, aangerand, meegesleept naar zo’n lege tent en verkracht, ja misschien zelfs wel gedood. Want wat is er leuker om dat op een vrouwenfestival te doen, waar vrouwen zich veilig wanen.

Toen ik halverwege de ceremonie was, kwamen er geluiden uit het toiletblok waar ik vlakbij zat. De enge man? Spoken gerommel, omdat er door mijn beoefening van alles in gang werd gezet? Een dier? De boswachter die kwam kijken naar het toilet? Of Ellis Kersten, de vrijwilligster, die ik uit mijn ooghoek in de verte langs had zien fietsen? Het ging allemaal door mij heen.

Daar alleen buiten, had ik momenten waarop ik bang was m’n leven te verliezen. Iets wat ik onmiddellijk verwierp als irreëel, maar wel gevoeld had. Omgaan met de angst om te sterven, daar mee dealen, is de diepste laag in de chödbeoefening. Daar maakte ik iets van mee, op die avond en op andere avonden op dat festival, in mijn eentje in het donker.

Een intuïtief legpatroon voor jezelf met kaarten door cliënten getrokken



Een kaart die een cliënt trekt, heeft vaak ook iets te zeggen over jou. Ook voor jou kan die kaart spiegel zijn van iets uit je leven. Op de ‘Dag van de tarot’ op 8 juli in Breda geven Els Maasson en ik daar een workshop over. We gaan oefenen in tweetallen waarbij we één kaart trekken en kijken hoe die op elk van beiden van toepassing is. Ik heb naar meer vormen gezocht van spiegeling voor onszelf, met kaarten door cliënten getrokken. In het volgende stuk heb ik uitgeprobeerd of zulke kaarten ook in een legpatroon zinnig zijn.

Gisteren gaf ik korte consulten van 1 kaart in de pauzes van een studiedag. ’s Avonds heb ik de kaarten die getrokken waren, uit het spel gehaald. Het waren zes kaarten, twee ervan waren twee keer getrokken. Ik ben net een project gestart en mijn vraag was hoe dat op de grond te zetten.

Ik had die dag gewerkt met een orakelspel rond Mozes en Mirjam. Dat zijn figuren uit de bijbel met een leiderschapsrol, die van alles meemaken, te vergelijken met wat wij beleven. De drieëndertig kaarten uit het spel zijn geïnspireerd door bijbelverhalen en andere oude geschriften.

Ik heb de zes kaarten geschud en ze omgekeerd op intuïtie in een patroon gelegd, zoals ik dacht dat ze moesten liggen. Toen ik de kaarten omdraaide, zag ik er een tent in. Een tent begrensd door vier zijden van kaarten. Midden in de tent was de plaats voor mijzelf, om te zitten. Daar lag een kaart. Elke kaart had me wat te zeggen. Maar de kaart in het midden, verraste me het meest. Over die kaart schrijf ik hier. In het midden lag de kaart van het ‘beloofde land’.

Het grote verhaal van Mozes en Mirjam is dat zij met een heel volk op weg gaan naar een land waar het goed leven is. Het ‘beloofde land’ is een land met rijke oogsten, druipende honing en grote, zoete druiventrossen. Daar is plek voor zieken, wezen, weduwen, en vreemden. De kaart van het beloofde land representeert in het spel je droom en de richting die je uit wil. Dit land waar het goed leven is, is voor mij altijd iets wat in de toekomst is, in de verte, in de mist. En dat eigenlijk nooit bereikt zal worden. In mijn idee hoorde die kaart ergens aan de rand van de tafel te liggen waarop de kaarten lagen, ver weg van mij.

Maar de kaart van het beloofde land lag niet ver weg, was niet onbereikbaar, hij lag in het midden van de tent, op de plek waar ik zat. Dit zei me een heleboel over mijn vraag, hoe het project waar ik mee begonnen ben, op de grond te zetten. Het zei me met verwondering te werk te gaan. En vanuit een gevoel van overvloed, van welkom zijn en van ontspanning. Het werd me duidelijk dat dit een zoet project is, van genot en plezier. En dat iedereen die ik tegenkom en waar ik mee spreek, ook wie ik vreemd vind, mij iets te geven heeft en ik aan hen. Dat het beloofde land er eigenlijk al is, als ik het zo aanpak. En dat het daarom gaat in het project.

Het bood me inzicht, dit legpatroon met kaarten door anderen getrokken. Hoe doe je dit? Op een rijtje:

1. Pak de getrokken kaarten uit je spel. Als dit teveel kaarten zijn voor een legpatroon, kies dan de kaarten die meerdere keren getrokken zijn. Die hebben je het meest te zeggen.
2. Schud de kaarten, en leg ze intuïtief omgekeerd neer in een patroon.
3. Bij mij werkte het goed om de posities in het patroon niet te benoemen. Maar wil je ondubbelzinnige duidelijkheid, dan helpt het om dat wel te doen. Denk dan aan: fundament, doel, hulp, verleden, obstakel, verlangen, angst, talent, enz.
4. Keer de kaarten om en duid ze.
5. Sluit af met je aandacht te richten op de mensen die de kaarten getrokken hebben in jouw consulten en jou dit inzicht geboden hebben. Dank hen.

Chöd pelgrimage

Ons kralensnoer van knekelplaatsen. Nog 100 te bezoeken. Afgelopen week gaven we ceremonies in de duinen bij Overveen. Tijdens de tweede wereldoorlog werden de voor burgers ontoegankelijke duinen gebruikt voor het executeren van mensen en werden duinvalleien massagraven voor doden uit allerlei gevangenissen in Nederland. Al in mei 1945 werden deze graven gevonden. Het grootste bevatte 199 doden, het kleinste 1, Hannie Schaft. Dit hele duingebied is, zoals de kunstenaar Armando dat noemde, een "schuldig landschap".



Wij zijn bezig aan een Chöd pelgrimage langs dergelijke plekken. Geschonden plekken, plekken van schaamte, plekken van angst, plekken van sterfte door mensenhand. Wat blijft is de liefde, de deernis. We luisteren naar de teksten die we zelf zingen: een roep om de Moeder, een beroep op goede krachten, een hoop op zegen. We komen met lege handen en delen onze overvloed, onze zo moeizaam verkregen wijsheids-honing.