De melaatse

Melaats zijn is niet gezien worden en niet gehoord. Sterker nog, ze lopen met een bochtje om je heen, of keren al om als ze je huis ontwaren op drie kilometer afstand. Wanneer in de middeleeuwen werd ontdekt dat je melaats was, zei de priester in een ritueel tegen je: “Ik verbied je de kerk binnen te komen, het plein, het klooster, de markt, de molen en de kroeg... Ik verbied je ooit je huis te verlaten zonder je melaatsenkleding te dragen...te leven met een andere vrouw dan je eigen...een bron, of een ophaalkoord aan te raken zonder je handschoenen... om kinderen aan te raken of om ze iets te geven... te eten en te drinken, behalve met melaatsen.”

Een belangrijke stap in de bekering van Franciscus is dat hij een melaatse tegenkomt, in eerste instantie doorrijdt, maar zich bedenkt en omkeert. Hij geeft de melaatse geld en kust hem. Melaatsheid is een vorm van lepra en dat is besmettelijk. Wanneer we een kerk inlopen in Rivotorto waar Franciscus een melaatse heeft genezen, zegt Anne-Marie, die arts is, dit nog eens heel indringend. Met de kus aan de melaatse liep Franciscus het risico besmet te worden. Waarschijnlijk is dit ook gebeurd, denkt Anne-Marie, en is de oogziekte waar Franciscus aan leed daar het gevolg van, al wordt dit nooit zo benoemd.

De kaart die ik vandaag is een antwoord op de vraag: Wie is de melaatse die ik keer op keer tegen kom, die ik geld zou moeten geven en zou moeten kussen?

Er is in Franciscaanse kringen veel nagedacht over wie de melaatse is die Franciscus kuste, heb ik gelezen. Was de melaatse Christus in vermomming? Jezus zegt: Wat je aan de minste doet, doe je aan mij. Minder dan de minste is de melaatse zelfs, en zo bezien is hij Christus in vermomming en is het Christus die Franciscus gekust heeft en geld heeft gegeven. 

               

De tarotkaart die ik getrokken heb bij de vraag over wie de melaatse is die ik moet kussen, is: ‘Tien van de Pentakels’. Op de kaart is een stadspoort te zien. Onder de poort zijn mensen. Het is er druk, bedrijvig en welvarend. De drukte wordt nog eens versterkt door al de pentakels op de voorgrond. Het is bijna benauwd. Als ik mezelf de vraag stel wie de melaatse is op deze kaart, kan ik hem niet vinden en vraag me af waar hij dan wel is. En als ik mij inleef, merk ik dat ik me voor de kaart bevind en probeer om mijzelf tussen de pentakels door te wringen om ook op de kaart te kunnen staan. Hmmm, ik zelf ben dus de melaatse, en probeer met alle macht in de stad te komen. Niet gezien en niet gehoord. Het lukt niet goed. Ik hoor er niet bij, ze lopen allemaal een stukje om als ze mij zien.

De tarotkaart ‘Tien van de Pentakels’ staat voor traditie, voor overgeleverde normen en waarden; voor traditie die zo benauwend kan zijn. Het liefst zie ik de mensen onder de poort op de kaart als iets buiten mij, als ‘de stad’, de moderne rationele cultuur waar tarotkaarten niet bij horen. Ik zelf ben dan de zigeunerin die buiten de stadspoort zit met haar kaarten, of de sibyille in de grot in het bos die de mensen in de stad liever niet horen spreken. Het is pijnlijk, maar ook makkelijk om zo naar de kaart de kijken. Ik ben de melaatse die niet gezien wordt. Stomme stad die mijn gave mist, of stomme ik, had ik maar iets anders moeten kiezen.

Zo is het als ik de stad zie als iets wat buiten mij is. Maar ik kan de stad ook zien als een deel van mijzelf, net zo als ik de melaatse kan zien als deel van mijzelf. In de Franciscaanse traditie wordt de melaatse wel op die manier gezien, als een deel van Franciscus. De melaatse is dan een stuk in hemzelf dat hij verwaarloost, een halfvergane kant die er niet zijn mag. Als Franciscus dan omdraait, van zijn paard afstapt en de melaatse een kus geeft, dan kust hij die delen in zichzelf wakker die hij verwaarloost en liever niet wil zien.

Als ik nog eens naar de kaart kijk, dan valt mij de man op in het midden van de kaart op die recht vooruit kijkt, waar we het achterhoofd van zien. Hij moet zich omdraaien en de melaatse kussen. Ik moet dat doen, ik moet mij omdraaien, de sybille uit de grot halen en naar haar luisteren, de zigeuneres binnen de poorten halen. Daar hoort ze thuis.