Clara met monstrans

Kruisweg door Maria de Groot

Het weg van Jezus naar het kruis wordt in de katholieke kerk verbeeld in dertien, soms veertien beelden. Dit heet de Kruisweg. Het zijn vaststaande afbeeldingen die laten zien wat Jezus meemaakte toen hij door Jeruzalem liep met het kruis op zijn rug. De beelden worden ‘staties’ genoemd. De Kruisweg begint bij de terechtstelling van Jezus en eindigt meestal bij de graflegging. In een moderne Kruisweg is vaak een extra statie, die de opstanding laat zien. De staties zijn bedoeld om langs te lopen. Veel katholieke kerken hebben een kruisweg aan de muur. In de lijdenstijd is er een viering waarin langs de staties gelopen wordt. Bij iedere statie wordt halt gehouden een gebed uitgesproken en iets gezegd over wat op de statie te zien is.

Het mooie van zo’n kruisweg is dat de mensen die eraan meedoen zich met het lijden van Christus vereenzelvigen en daarmee tegelijk bij het lijden in de wereld en bij het lijden van zichzelf stilstaan. Dat Jezus moedig was, maar ook viel met zijn zware kruis, net als wij soms vallen en weer opstaan. Nog mooier is dat de staties laten zien dat Jezus de tocht niet alleen maakte. Hij ontmoette mensen: zijn moeder en de vrouwen van Jeruzalem. Ook werd hij geholpen. Er was een vrouw die zijn gezicht afveegde en er was iemand die – tegen wil en dank – zijn kruis hielp dragen. Dit bemoedigt en maakt het lijden draaglijker.

          

De dichteres Maria de Groot heeft gedichten gemaakt bij de kruiswegstaties: Kruisweg. Ze heeft de bundel gedichten in eigen beheer uitgegeven en het is net uit. Bijzonder mooi vond ik de deze woorden, een stukje van het gedicht bij statie 8, waar Jezus de vrouwen van Jeruzalem ontmoet:

Hoe erg is het te sterven in de lente,
bedenk dat, vrouwen van Jeruzalem,
en geef de kinderen die komen stem,
nu ik als bottend hout verworpen ben,
geen spoor van de gehoopte vruchten ken.