Clara met monstrans

Het plastic altaarkleed

Van maandag op dinsdag tijdens onze reis in Assisi lig ik wakker. Ik heb buikpijn. Dinsdagmiddag hebben we vrij en wil ik naar Bastia gaan, een dorpje dat acht kilometer van Assisi ligt. Daar is op een begraafplaats het kerkje dat vroeger bij het klooster San Paollo della Abbadesse hoorde. In dit klooster heeft Clara asiel gekregen na haar vlucht. Het was een deftig klooster dat asielrecht had gekregen van de Paus. Clara had asiel nodig toen ze intrad. Ze kwam uit een voorname adellijke familie, woonde aan het belangrijkste plein van de stad. Ze maakt haar familie zeer ten schande door Franciscus achterna te gaan en te willen leven van aalmoezen. Het zat erin dat haar familie haar terug zou komen halen. Nadat Clara ‘s nachts in het afgelegen kerkje van Portiuncula haar wereldse kleren heeft verwisseld voor een habijt, haar hoofd is kaalgeknipt en ze de gelofte van armoede heeft afgelegd, gaat ze daarom naar dit klooster. Daar is ze veilig. Ik wil heel graag naar die kapel van dat klooster toe, maar ik heb geen idee hoe ik daar moet komen. Rob en Anne-Marie, onze reisleiders, zijn er nog nooit geweest. Het is geen toeristenplek, dus onbekend, en nu ik zo lang wakker lig...ik vind het niet verstandig van mijzelf om dit te gaan doen. De reis is al zo intensief.

De volgende morgen is er geen enkele twijfel. Ik zal en moet naar de plaats waar Clara asiel heeft gekregen. Vanochtend gaan we te voet naar Portiuncula en van daaruit ga ik erheen. Grappig, zo ga ik de weg die Clara ook ging. Met de taxi, want een bus is er niet en de trein loopt niet handig. We zijn uiteindelijk met z’n zevenen: Ali is erbij, Annelies, Rob Vogel, Catharine en haar partner Rob, en ik. Het is een onderneming, zo op onszelf om naar zoiets onbekends te gaan. We vinden het een avontuur, en zijn allemaal een beetje zenuwachtig. 

           

Het kerkje is open. De deur sluit met een halfopen hangslotje. Het is een Romaans, oud, sober kerkje. Zittend op een kerkbank vlak bij de deuropening voor het licht, lees ik het verhaal over Clara’s vlucht voor. Haar familie is diep gekwetst en komt haar inderdaad terughalen met vleiende beloften, giftige raadgevingen, maar ook met ruw geweld. Clara heeft dubbele immuniteit. Ze heeft asiel van het klooster, maar ook is haar hoofd kaalgeknipt, wat een teken is dat zij zich aan God en het altaar heeft toegewijd. Als haar familieleden haar willen pakken om haar mee te nemen grijpen, grijpt Clara daarom het altaarkleed en ontbloot haar kaalgeknipte hoofd. Ze houdt stand en na enkele dagen verdwijnen de familieleden. 

        

We zitten er wat, zijn verbaasd over het weinige dat herinnert aan het asiel. Geen schilderij, geen fresco. Er hangt alleen een witte plaquette waarop staat dat Franciscus hier in 1927 herdacht is, op de plaats waar Clara haar toevlucht heeft gezocht. Net als bij het bosaltaar van Franciscus bij de Carceri, een paar dagen geleden, worden we steeds stiller. En heel rustig steken we langzamerhand wat lichtjes aan en fotografeer ik het plastic altaarkleed.