Verpotten

De Etruskische eileider

We gaan naar het dal van Riëti vandaag. Franciscus en de broeders trokken naar dit dal toe toen de inwoners van Assisi hen geen eten meer gaven, maar met stenen bekogelden. Ik stop een papier met liedjes in het voorvakje van mijn rugzak. Ik weet dat Selma in de bus een verhaal gaat houden over de Etruskische cultuur in Italië van voor de jaartelling. Ze gaat vertellen hoe je hun heilige plekken, waar de aarde als moedergodin vereerd werd, terug kan vinden op de plekken van Franciscus. Ik heb een liedje over moeder aarde bij me en wie weet is dat leuk om te zingen. Het is een chant, een simpel éénregelig liedje dat je steeds herhaalt. Ik luister naar het enthousiaste verhaal van Selma in de bus, maar ben een beetje sceptisch. Het Etruskische schrift is niet ontcijferd dus hoe kun je dat nou allemaal weten.

Toch zeg ik tegen Selma van mijn liedje als we de bus uitstappen. Ik stel voor, dat als zij een plek uitzoekt, we gaan zingen over moeder aarde. En dat we wel zien wie er mee doet. Ik ben deze week op zoek naar Clara en vind weinig. Zo anders dan bij Franciscus waarvan iedere voetstap gemarkeerd is. Was voor Clara moederaarde belangrijk? Niet echt. Of toch. Clara richt zich op Christus die helemaal van de aarde werd. Hoe dan ook, ik zie een verbinding tussen de weinige aandacht voor Clara, en de weinige aandacht voor de vrouwelijke aarde.

Selma weet meteen een plek. Het is een grot, geweest is ze er nog niet. De grot is in Fonte Colombo, een klooster in de bergen, en Franciscus heeft in de grot zijn regel geschreven. Als we er aankomen maken we het noengebed mee met jonge, levendige Franciscaanse novicen. Ze zingen mooi, zuiver en helder. Dan loop ik naar beneden en vind daar de grot. Selma is er al en meer mensen. Ik schrik. De grot is een smalle gang in een half ronde vorm. Het is een Etruskische eileider waar Franciscus zijn regel heeft geschreven. Je kunt er niet in een kring staan en je zingt tegen de wand van de grot aan. Er kunnen amper zeven mensen in. Maar het is nu of nooit.

              

Ik ga mijn liedje zingen en de mensen in de grot zingen mee. Selma zie ik staan in de rij, René, Reini ook, en nog meer mensen. Ali is nog boven. Ach, wat klinkt mijn stem gespannen, en ik heb helemaal niet de juiste toon. En hoe moet het liedje eigenlijk? Moet het zacht of moet je juist stampen en klappen? Ik heb helemaal geen idee en ik doe maar zoals het voelt. Ik zie dat de mensen hun handen op de stenen leggen. Dat doe ik dan ook maar. Reinie kijkt naar me; ik klap en ik stamp. En dan, dan schaam ik mij, en vergeet iedereen met wie ik zing. Wat ben ik hier aan het doen? Het mag niet wat ik daar doe. Het mag helemaal niet. Ook ik heb het taboe op het verbinding met de vrouwelijke moeder aarde in mij vastgezet. Gauw zet ik “Laudate omnes gentes” in, want dat kunnen we tenminste met z’n allen zingen. Zingend lopen we de grot uit en de mensen achter mij, die nog door de grot heen moeten, lopen er ook zingend doorheen. Het klinkt mooi hoor.

We komen bij La Foresta, een andere kluizenarij in het Rietiedal waar Franciscus wachtte op een behandeling voor zijn oogziekte en uitrustte. De jongen die ons rondleidt vertelt dat hier jongeren werken die verslaafd geweest zijn. Er zijn een heel aantal van deze communiteiten, ooit gestart door een Franciscaan. Sommige jongeren treden in, om zelf weer anderen op te vangen. Zijn verhaal raakt me. Beneden het klooster is een bron. In de tijd die we nog over hebben loop ik er over een bospaadje naar toe. Het is er groen en er bloeien boscyclamen. 

             

Meer mensen zijn er heen gelopen. We staan er met z’n vijven. Zullen we het liedje van Berthe nog een keer zingen, stelt Selma voor. Oh nee, ik moet nog een keer, denk ik geschrokken. Ik ben helemaal vergeten hoe het liedje gaat. Zenuwachtig vis ik het papier met de liedjes uit het voorvakje van mijn rugzak en zoek de juiste toon. Beter, deze keer. Maar ervaren doe ik niks. Toch gebeurt er iets, al maak ik dat zelf niet mee. En als ik wil eindigen met Laudate omnes gentes wordt dat tegengehouden.

Het is vrijdag, en het is al over twaalven. Ali en ik haasten ons naar de S. Maria Magiorre, een kerk in Assisi. Hij sluit misschien om half één en om half vier gaan we uit Assisi weg. Er is niemand anders in de kerk. Het is er stil. Ik loop door het schip en ga naar beneden, de trap af naar de crypte. Ik ben er alleen. Nu of nooit, denk ik weer. In mijn hoofd zing ik het liedje over moeder aarde en sta zachtjes te wiegen. Dat herinnert me hoe ik een paar maanden geleden in een viering rond potten aarde stond te zingen. In die potten lagen winterervaringen, moeilijke dingen in ieders leven, op briefjes geschreven. Ze lagen als zaadjes in de aarde te wachten. Het was toen alsof ik de zaden wiegde en koesterde. Dat doe ik nu ook. Ik wieg en ik koester. Ik wieg en ik koester. Of dat nou van mij is of van moeder aarde weet eigenlijk niet. Maar fijn is het wel.

Ali komt naar beneden. Met onze fototoestellen proberen we met de flits de donkere tombe te vangen waar we het einde niet van kunnen zien en hebben veel plezier als het licht uitgaat en we denken opgesloten te zijn. We eten cashewnoten, zittend op een steen. Ik denk aan de zes zaden van de granaatappel die de Griekse Persephoné at in de onderwereld en die er voor zorgden dat ze er ieder jaar zes maanden terugkeerde.