Laat je ziel je werkgever zijn

Het was in de middeleeuwen. In een klooster in Italië op de eerste mei. De zon scheen door de ramen. De zusters zaten bij elkaar. En toen daar, in de glans van de zon verscheen een klein kind, op de schoot van een van de zusters, de heilige Clara. Het kind was teer, en heel mooi. De vrouw die het kind gezien had zei: “Het kan niet anders, dit kind was de zoon van God.” Aan dit kind op de schoot van Clara moet ik denken als ik aan de ziel denk. Puur en onschuldig.

De ziel is niet tastbaar, niet meetbaar. Je kunt hem niet uit je lichaam snijden als een orgaan. De ziel is er niet. Zo lijkt het. Dat maakt de ziel een lastige werkgever. Je staat midden in de nacht op om een huilend kind. Je maakt ontbijt. Brengt kinderen naar school. Gaat naar je werk op de fiets in de zon of in regen. We leven ons leven. En we denken niet aan de ziel.

Ik heb vaak het idee dat ik geleefd wordt. Uitgeleverd aan van alles en nog wat. Aan deadlines die ik moet halen. Aan mijn stemming. Aan het weer, zeker als het regent. Toen ik een uitkering had aan de UWV met z’n regels. En je kunt je uitgeleverd voelen aan een huis dat niet verkocht wordt of aan de hypotheek. Ook dan is de ziel ver weg.

En toch hebben we allemaal een ziel. Wat doet de ziel? Onze ziel maakt ons kwetsbaar en open. De ziel laat ons verlangen. Naar intimiteit, naar verzinken in wie je liefhebt. En soms ligt daar op de bodem van de ziel iets wat zo mooi is dat daar helemaal geen woorden voor zijn.

Zoiets kwetsbaars is de ziel met dat grote verlangen. Dat moet beschermd. En zo komt het dat we onze ziel verstoppen, dat er muren om onze ziel oprijzen. We worden als prinses Elsa uit de film Frozen. Klein en alleen in een manshoog ijspaleis, koud en met scherpe punten, hoog en onbereikbaar. Eenzaam.

Een leven zonder ziel. Waarin we geleefd worden door deadlines, werk, UWV of hypotheek, of waarin we wonen in een ijspaleis met scherpe punten. Dat willen we niet. Dat is geen leven.

Het is de ziel en de ziel alleen die ons open maakt voor liefde. Het is de ziel die ons laat stralen, ontroering brengt, die maakt dat we onze armen uitstrekken naar elkaar.

Maar hoe breek je door al die lagen en muren om je ziel? Het mooie van de ziel is, dat de ziel er altijd is. Niet uit ons verdwijnen kan. De ziel is daar, in ons om iedere keer opnieuw opgediept te worden, Als de ziel verdwenen is onder lagen en lagen van afwijzing, niet gekend worden en niet geliefd. Ons lichaam takelt af, ziek en pijnlijk, maar de ziel blijft bestaan, glanzend als een waterplas. Al leveren we ons uit aan wat en wie dat ook. De ziel blijft.

Maar hoe bereiken we die ziel die altijd blijft? En nu komt het hele wonderlijke. Het is bijna een geheim hoe we onze ziel weer bereiken. Dat kan op ieder moment. Echt op ieder moment. Het overkomt je. Wanneer je midden in de nacht je kind oppakt, dat zo zacht aanvoelt. Wanneer de geur van de linde je treft op de fiets naar je werk. Al ben je nog zo gekwetst. Je voelt toch weer liefde. De ziel toont zich weer.

We kunnen de ziel niet vasthouden. De ziel beweegt, onttrekt zich weer, als onze aandacht zich weer verplaatst naar de routine. Als we weer eens gekwetst zijn en uitgeleverd aan onze stemming. Maar de ziel wacht. We komen er weer bij. In momenten van ontroering, van genot en van liefde. Ze kunnen ons overal overvallen. Zelfs hier nu in deze kerk. Als je naar boven kijkt, de hoogte en wijdte van het gebouw je overvallen, je de oude gladde stenen voelt. Als de tonen van de muziek je raken. Dan verschijnt een onschuldig puur en heilig kind, warm en levend op jouw schoot.

Laat je ziel je werkgever zijn.

Toespraak over de tuimeltekst "Laat je ziel je werkgever zijn" in het Huis van Waarden in de Bavokerk te Haarlem op 26 september.
(Anonymous)
Mooie toespraak Berthe, het raakt mijn ziel. Dank je wel ❤️ Liefs, Janneke