December 10th, 2018

Madonna Del Mare Nostrum

In de Bethelkapel in Den Haag is nu al meer dan 1000 uur onafgebroken een kerkdienst bezig voor Armeens gezin dat hier 9 jaar woont en uitgezet dreigt te worden. Ook is het een pleidooi voor een ruimere toepassing van het kinderpardon voor de 400 gewortelde kinderen. Het gezin verblijft in een inpandige voormalige kosterwoning. Zolang de kerkdienst duurt, valt de vreemdelingendienst niet binnen. Ik ging een aantal uren voor in Bethel, in de nacht. We waren met z’n zessen. De familie sliep. De kerk was stil en ruim.

Voorin de kerk staat een schilderij van Maria: Madonna Del Mare Nostrum. Het is geschonken gedurende het asiel. In die nacht keken we meditatief naar dit beeld van Maria met kind. Maria rijst op uit de zee en is gewikkeld in een gouden nooddeken. Zo eentje als vluchtelingen om zich heen krijgen als ze uit hun bootje op de Middellandse Zee zijn opgepikt. We keken met de vraag, wat zij ons gaf.



Het was de eerste keer dat ik deze Madonna in het echt zag. Het beeld stond er nog niet toen ik er het eerste weekend was. Ik keek.

Het was donker in de kerk. Met gejaagde ogen keek Maria mij aan. Ik schrok ervan, gewend als ik ben aan zoete Maria’s, moederlijke Maria’s, vergevende Maria’s, en ook ongenaakbare, strenge Zwarte Madonna’s. Bijna altijd stijgen ze boven onze ellende uit. Steunen, troosten. Er zijn zelfs Maria’s met een heel wijde mantel, waar iedereen onder schuilen kan.

Maar zo was zij niet. Deze Maria was armer en behoeftiger dan ik. Ik was degene die haar troost moest bieden, een tandenborstel, warme soep, sokjes voor de blote voetjes van het kindje, en toegang tot Europa. “Is dit Maria wel?’, dacht ik. “En wat doe ik mijzelf en de kerkgangers aan, met deze meditatie?” Zo heftig was het.

Het is altijd spannend in de Bethelkapel met het kerkasiel. Zeker in de nacht. Je weet, als de IND het gezin komt ophalen, gebeurt dat ‘s nachts. En toen, terwijl ik keek naar Maria in die nooddeken, gebeurde er iets.

Ik kreeg het koud. Ik kreeg het zo ontzettend koud. En echt, ik had me warm aangekleed, met een dikke trui, tegen de kou van de nacht. Hoe langer ik keek, hoe kouder ik het kreeg. Ik werd zelf Maria in de nooddeken, die daar stond in de zee. De kou die ik voelde kwam als een schok. Koud, nat, eenzaam. Behoeftig.

Ik zat niet meer in de comfortabele positie dat ik hulp bood aan een vreemdeling, aan de ‘ander’ of de ‘Ander’ in de zee, aan de onaanzienlijke, de hongerige waar Jezus over spreekt in het evangelie van Mattheus. Met als opdracht die te voeden, kleden en op te nemen.

Nee, ik was Maria zelf in de zee met een kind op mijn arm. Het was gek. Ik was naar Bethel toegegaan vanuit mijn veilige situatie, met een paspoort in de la, om een aantal uren de kerkdienst te doen. En toen draaide alles om en was ik op dat moment zelf de ‘ander’, de vreemde, die vluchteling. In de zee. Koud was ik, alleen maar koud. Letterlijk. Het was een lichamelijke sensatie. Maar daar stopte het niet mee.

Er borrelde liefde op in mij, zachtheid, warmte. Het kwam ergens uit mijn hart. Het was niet zo dat de kou stopte. Maar die zachtheid was er ook. Die vervulde me en bewoog me. De schittering van de nooddeken werd als goud, liefde, die haar omringt en die tegelijkertijd opwelde in mijn hart. Wat mij gebeurde was geen puur individuele ervaring. Het zit diep in onze traditie verankerd.

Het is een meditatieve beweging, die gaat van afschuw en schrik, naar vereenzelviging: een lichamelijke sensatie van pijn en lijden, die dan weer verandert in liefde. In één grote gebeurtenis.

We zien die bij Franciscus. Eenzaam, vastend op een berg, ziet hij in een visioen een engel die tegelijkertijd Christus is, aan het kruis. Franciscus werd bewogen. Voelde de liefde van Christus voor hem, en voelde ook zijn pijn. Hij vereenzelvigde zich met Jezus. Wist niet meer wat van wie was, en draagt vanaf dan de kruiswonden in zijn eigen lichaam, in zijn handen en voeten en zijn zij. Met als opdracht zich om te vormen tot Christus.

Ook bij Theresa van Avila is deze innerlijke beweging te vinden. In een visioen neemt Christus het kruis van haar rozenkrans in zijn handen. Als ze die van hem terugkrijgt, ziet ze de afgebeelde wonden als vier grote edelstenen, kostbaarder dan diamant: “Ik zag het hout niet meer waarvan het gemaakt was.”

Deze innerlijke meditatieve weg zit in onze traditie, maar hij wordt niet meer onderwezen. Die weg loopt van zien, schrik en afschuw, naar de lichamelijke ervaring van pijn in vereenzelviging, en leidt tot grote liefde. Deze Madonna in haar nooddeken, geeft ons die kennis terug.
Tags: ,