October 18th, 2018

Het krachtvoorwerp


Ik maakte een krachtvoorwerp. En kwam uit op de lofzang op Prajnaparamita uit de chödceremonie.

Het was in een godinnentempel. Daar doe ik mee aan een inspiratiegroep die eens in de maand bij elkaar komt. De priesteres van de tempel had een klein oventje gekocht. En daarom gingen we van fimoklei krachtvoorwerpen maken, vormen, hangers voor aan een ketting. Het moest een half uur in de oven. Het kon diezelfde avond nog mee naar huis. We maakten dat voorwerp voor elkaar. Welke vorm dat zou zijn, lieten we opkomen door koffiedik te kijken. In koffiedik zijn altijd van allerlei figuren te zien. We dronken Turkse koffie, aten cake uit de nieuwe oven, stukjes Tony Chocolony knisperchocola en herfstbonbons, en hadden veel plezier.

Ik duidde het koffiedik in het kopje van iemand die van flinke discussies houdt. Die worden vooral op Facebook gevoerd. Ik schrik van die discussies als ik door mijn Facebookfeed scroll. Ze benemen me de adem, woede springt over, maar degene van wie ik het kopje las, heeft er plezier in. In het koffiedik zag ik grote kracht oprijzen, als een vulkaan. En ik zag ook vechtende figuren. Zijzelf zag die ook. Ik dacht, ik maak een vulkaan. Maar die mislukte. Het werd een raar driehoekje.

Fimoklei is hard, dat moet je een tijdje kneden. Eerder op de avond had ik zwart en wit door elkaar gemengd en er een bolletje van gemaakt. Je zag het wit en het zwart nog als aparte kleuren. Ik nam dat bolletje voor een nieuwe poging. Ik drukte het plat en het werd een rond schijfje. In het spel van zwart en wit in de ronde schijf was een soort vulkaan te zien. Niks meer aan doen, dacht ik. De vrouw voor wie het was, zag in het zwart en het wit haar Facebookdiscussies. Het debat waar ze van houdt, kost haar ook wat. Mensen ontvrienden haar of worden onredelijk. Toen ik vroeg wat de kracht van dit voorwerp voor haar was, zei ze: “Mezelf zijn, zoals ik ben.” Zij heeft een missie om standpunten met argumenten onderbouwd de wereld in te brengen, mensen daarmee te informeren en te overtuigen. Daar doet ze het voor.

Later dacht ik, ik heb het voorwerp weliswaar voor haar gemaakt, maar is het niet ook een krachtvoorwerp voor mij? Je kunt van alles in het koffiedik zien; het is een multi-interpretabel goedje. Ik was degene die de vulkaan in haar kopje zag en vechtende figuren. En ik ben het ook die schrikt wanneer ik door mijn feed scroll en die stevige discussies tegenkom. Wat is dan de kracht van dit voorwerp voor mij?

Aan het einde van de chödceremonie zingen we een lofzang op Pranjaparamita, de moeder van alle boeddha’s en ook die van ons. We danken haar dat ze ons ‘aardse dingen’ geeft die we nodig hebben. Die aardse dingen zijn zaken die vreugde geven en ook dingen die ons pijn doen. Door Chöd te beoefenen, gaan we ervaren dat die beide zaken eender zijn in ons, de vreugde en de pijn, de woede en de liefde. We bidden daarvoor in die lofzang, met de woorden: “dat de pijn en vreugde in mij zijn als eender, en dat ik zo het pad voltooi”. Dat je ze tegelijk ervaart. Allebei, in één teug! Bam! Het zwarte en het witte door elkaar, gevat in die platte ronde schijf, drukt dat uit.

No worries dus wanneer de vulkaan van boosheid in mij oprijst, bij het scrollen door mijn Facebookfeed, en ook op andere momenten. Laat vreugde en bliss mijn deel zijn wanneer mijn adem stokt en woede mij vervult. Daar herinnert dit krachtvoorwerp mij aan.
Tags:

De pionier en de dominee als klein ondernemertje

20181007_141718.jpg

Ik ging laatst naar een lezing van een beroemde leraar in het boeddhisme. Ze sprak op de “Inner Peace Conference”, een conferentie in Amsterdam. Daar liep ik tegen een interessante muur op, die relevant is voor ons als pioniers, dominees en kerkelijk werkers. De lezing was van Lama Tsultrim Allione, een boeddhistische vrouwelijke leraar uit de VS. Ik weet dat ze haar best doet om gemeenschappen te stichten in verschillende landen. Dat doen wij ook in de pioniersbeweging, dus ik was benieuwd hoe dat ging. Ik sprak vrouwen aan die een tafeltje hadden met folders en boeken en vroeg of ze een gemeenschap hadden. Wat bleek, het enige wat er was, waren cursussen! Niks gemeenschap. Nou, ik vond dat zo mager en heel erg sneu voor ze. Dat ze niets anders hadden om bij elkaar te komen dan een rottige cursus.

Het waren cursussen die deze vrouwen zelf gaven. Ze waren opgeleid door Lama Tsultrim, en in hun cursussen onderwezen ze een bepaalde oefening van haar, gestoeld op de oude Tibetaans boeddhistische chödceremonie, gecontextualiseerd voor het westen. De vrouw met wie ik sprak, wees me op de emaillijst van hun cursussen. Ik was misschien wel geïnteresseerd. Ik zei dat ik die oefening vaak deed en goed kende. “Veel mensen kennen hem.” zei ze, “maar dan kan een opfrisser heel goed zijn.” Ik vond daar wel wat inzitten, maar toen bleken hun cursussen een weekend lang te duren. Er waren wel oefenavonden, maar daar mocht je pas aan meedoen als je hun weekendcursus had gevolgd. “Nou,” zei ik toen, “voor mij is dat te duur”. Ik verplaatste me vervolgens naar de zijkant van de tafel, want er wilde misschien iemand anders met haar spreken. Ik was immers geen potentiele afnemer meer.

Het kon nog even. “Doen jullie ook Chöd?” vroeg ik. Chöd is die oude boeddhistische ceremonie, die Lama Tsultrim doorgeeft, en die ik ook beoefen, maar dan een variant. Dit deden ze inderdaad, in kleine groepjes, min of meer in het geheim. Dat is zo de gewoonte. Ik vertelde haar over de chödceremonies die ik samen met een vriend deed voor mensen thuis. Ik zei dat we dit op donatiebasis deden. “Oh, echt zoals het hoort in de boeddhistische traditie”, zei ze. Ik merkte dat ze zich schuldig voelde, zij vroeg dik geld voor haar cursussen. Werken op donatie is een manier om het onderwijs voor iedereen bereikbaar te houden en daarmee ook de verlichting. Dat is essentieel, want dat is waar je het voor doet, dat iedereen op dat punt belandt. Ik vertelde dat we de ceremonie niet in het Tibetaans, maar in het Nederlands uitvoerden, voor maximale toegang. Toen stopte de conversatie. Ik stuitte op een muur. Er was geen enkele interesse. Ik bedoel, hoe interessant is dat. Je ontmoet iemand die tot een duo behoort die chödceremonies voor mensen uitvoert. Dat is uniek in Nederland. En dan ook nog in het Nederlands, dat is ook uniek, en dan ben je niet geïnteresseerd!

Ze wilde mogelijk het nare gevoel van schaamte vermijden, en mij dus ook. En er zal ook enige rivaliteit zijn tussen de verschillende chödtradities. Maar haar gebrek aan interesse kwam denk ik vooral door het verdienmodel van ‘het kleine ondernemertje’. Ze moest geld verdienen aan mij. En ik nam niet af. Dus was ze niet geïnteresseerd. Ik was misschien zelfs wel een concurrent. Ondernemerschap, waarbij je direct betaald wordt door de klant die je dienst afneemt, betekent een rem op uitwisseling, op contact. Je kijkt alleen naar het directe korte termijn belang van het inkomen dat je moet verwerven. En zo zal, dat doel van verlichting voor ieder in hun onderricht een archaïsch artefact worden en uit het zicht verdwijnen. Tot er natuurlijk iemand opstaat en dat weer in het licht zet. Daarom denk ik, is er ook geen gemeenschap ontstaan. Daar hebben ze geen belang bij.

Predikanten en kerkelijk werkers worden op dit moment niet per handeling betaald. Ze ontvangen niet per dienst direct geld van hun afnemers. Ze krijgen een som geld waar ze alles voor doen. Hun inkomen hangt niet af van hun succes en de hoeveelheid kerkgangers, dopelingen of leden die ze aanbrengen. Probleem alleen is, dat er geen geld meer is in de kerk. En dat dit toch ergens vandaan moet komen. Er wordt daarom binnen Op Goed Gerucht, bij de opleiding tot predikant en binnen de pioniersgemeenschap wel geopperd dat het goed zou zijn wanneer predikanten en pioniers de boer op gaan om geld te verdienen met het evangelie en de vaardigheden die zij ontwikkeld hebben in hun werk en opleiding. Bijvoorbeeld als coach, inspirerend spreker of als begeleider van christelijke ceremonies voor mensen buiten de kerk. Pioniers, predikanten en kerkelijk werkers worden dan kleine ondernemertjes, zoals de vrouwen die ik ontmoette. Voor sommige pioniersplekken zou het een geschikte vorm kunnen zijn om financieel zelfstandig te worden. Gemeentepredikanten zouden hiermee naast hun steeds kleinere aanstelling, geld kunnen verdienen. Op Goed Gerucht heeft er afgelopen juni een studiedag aan gewijd en er wordt nu een haalbaarheidsonderzoek gedaan of het werkbaar zou kunnen zijn voor predikanten en kerkelijk werkers. Bij de Remonstranten proberen ze dit nu uit in ‘vernieuwingsplekken’. Er worden vernieuwingspredikanten aangesteld die drie jaar tijd krijgen om naast hun werk in de gemeente nieuwe betrokkenen te werven en een stroom van geld op gang te brengen met hun initiatieven.

Dit ondernemerschap heeft dus nadelen. Predikanten worden elkaars concurrenten. Er is geen interesse meer in wat andere pastores doen. Inzet voor een gemeenschap die verder reikt dan noodzakelijk voor het inkomen, ontbreekt. Er is alleen aandacht voor iemand die een klant is. Een doel dat niet in het belang is van de afnemer, zoals de nood in de wereld, de nood direct om ons heen, of een politieke stellingname die tegen het belang van de afnemers ingaat, verdwijnt uit het oog. Het evangelie kan niet meer vrij verkondigd worden, in al zijn heilzame en profetische gestalten. De vrijheid van Christus en van het woord is niet meer gewaarborgd. Er is alleen aandacht voor het korte termijnbelang. Het langere termijnbelang verdwijnt.

Als pionier in Breda ben ik zelf in die val van de korte termijn gelopen. Ik was daar weliswaar geen kleine ondernemer, afhankelijk van klanten, maar ik was wel afhankelijk van deelnemersaantallen. Het was een pioniersplek van een plaatselijke gemeente en het voortbestaan was bedreigd. Iemand van de buiten de kerk, bood aan workshops te geven. Ik schatte in dat die weinig deelnemers zouden trekken. Voor de korte termijn leek het een slimme keuze om niet in te gaan op het aanbod; ik wilde veel deelnemers trekken. Maar voor de lange termijn was het geen goede keuze. Diegene had zich gezien gevoeld en de kans was groot geweest dat die meer betrokken was geraakt bij de pioniersplek, en daar gaat het om. Ik heb nog altijd spijt als ik er aan denk.

Al in de vroege kerk was er discussie of voorgangers direct betaald moesten worden door individuele gemeenteleden of dat ze een som geld moesten krijgen uit de hele gemeente. Dit laatste heeft de voorkeur gekregen. Maar het is dus al een hele oude discussie.