February 13th, 2016

Een toverstaf



Ik moet een staf maken. Een toverstaf. Het is voor een bijeenkomst waarop we met groep zielsverwanten samen komen om activiteiten te bedenken voor de Aardbij, een lief huis in de Gandhituin in Rotterdam, waar de wanden van hout zijn en je alleen op sokken binnen mag. We kunnen het voor een deel van het jaar huren. We hebben al een website, een communitypagina op Facebook, en ook een naam voor onszelf: Vliegdienst. Zondagmiddag gaan we verzinnen wat we in de Aardbij gaan doen.


De toverstaf is voor deze middag bedoeld. Om jezelf en je ‘magie’ laten zien. Ik was niet zo gelukkig met die opdracht. In sprookjes is het zo dat wanneer je spreekt over je toverkunst, die van je afgepakt wordt.

Plotseling werd ik overvallen door het gevoel dat er een grote opschepperigheid zit in een magische staf met toverkunsten. En ik werd helemaal bonds, orthodox christelijk. Leven we niet enkel van genade en zegen? Wat zijn we meer dan een worm in het geheel van de grote schepping? Kwetsbaar zijn we. Een zuchtje en weg zijn we.

En zo begon ik met mijn staf. Heftig rood zit erin en bruin van opgedroogd bloed. Het dringt door het verbandgaas en schijnt fel door de voile waarmee de wonden bedekt zijn. Ik moest er een beetje van huilen, van al onze wonden. En van Jezus met zijn bloedrode open hart. Er staat ook een geschreven zin op de stok over het ondergrondse volk, van Astrid Lindgren uit het boek De rode vogel. Wie bij het ondergrondse volk is geweest, al is het maar voor even, is voor het leven getekend. Met mij is dat gebeurd.

Mijn man had de stok al eerder gebruikt toen hij voor barmhartige Samaritaan speelde in een dreumesdienst in de kerk. Het was de wandelstok waarmee hij van Jeruzalem naar Jericho liep, onderweg olie en wijn goot op de wonden van een beer, en ze verbond. Het hout komt van een bloesemboom uit de tuin van de buurman. En de stok is omwikkeld met een laken van mijn grootmoeder, oma van Soest. De staf is niet mijn eigendom. Niet helemaal van mij. Zoals de filosoof Derrida het zegt: ik ben geënt op wie mij voorgingen, die mij nu nog voorgaan, op hun contexten en traditie. Misschien wel zonder dat ik hen begrijp. Ik groei als een ent op hun stam, op een voor hen onvermoede en mogelijk ongewenste manier. Wie weet bezoedel en verkwansel ik hun erfenis. Ik plakte de ent onderaan op mijn stok, Ach, dit voelde ongemakkelijk, ik ben tot in mijn bodem niet helemaal mezelf. Als ik maar niet val morgen, met mijn stok die niet helemaal van mij is.

          zgf-greffe-arbre.jpg

De bovenkant van mijn staf gaat op in heldergele vlammen. Daar is geestvervoering en extase. In dat bovengebied is toeval en synchroniciteit verabsoluteerd tot waarheid. En directe toegang tot het absolute weten, (le savoir absolue) zonder enige blokkade. Daar is de ultieme vervulling van het verlangen van de westerse metafysica naar présence. En toppingpoint naar gekte. In die vlammen bevindt zich een figuur. Dit is mijn eigen vervoering, maar ik vermoed ook die van Vliegdienst. Het vliegen zit in onze naam.

De staf is nu klaar. Er kan niks meer op of aan. De bellen die ik eraan vast wilde maken, die van de vrolijke dwaas of de melaatse die moet roepen, "Kijk uit voor mij!", leiden alleen maar af. Ook het woord destinerrance dat ik had willen verwerken kan er niet meer op. Dit is een neologisme van Derrida. Het woord duidt verdwalen aan, vergissen en zwerven. Het concept heeft een ruimtelijk en een tijdsaspect. Het woord geeft aan dat wanneer je een bestemming wilt bereiken, er een kans is dat je daar nooit aankomt, of dat je pas veel later aankomt dan je wilde. Het kan zomaar zijn dat er een file is, of werkzaamheden op het spoor, dat je de weg kwijt raakt of onderweg van bestemming verandert.

Het woord destinerrance biedt tegenwicht aan de vermeende autoriteit van het absolute weten, de onmiddellijkheid van de extase. Destinerrance geeft ruimte aan nog-niet-weten, ambiguïteit, de verkeerde afspraak, de omweg, vergissing en aarzeling. Tegenwicht aan de druk haast te hebben door een apocalyptische tijdgeest, vanwege onze korte levens. Dit zijn belangrijke zaken voor mij en voor een vliegdienst. En toch zit het woord destinerrance niet op mijn staf. De verleiding van de geestvervoering is te groot.

Ik schrok daarvan. Zo'n sterk verlangen. Maar mijmerend ontdekte is dat ik iets anders in de staf heb verwerkt, net zoiets als het woord destinerrance. Dat is de voile. Bijna doorzichtige voile, licht als de wind. Voile zit ook in het ijle gebied boven in de staf. Het bedekt de voeten en het gelaat van de figuur die opstijgt. Ik kon het bijna niet zien, maar het zit er werkelijk. Ik voelde het met mijn vingers. Voille beschermt. Want voile versluiert. Voile verhindert het directe zicht op het absolute weten.