April 21st, 2009

De melaatse

Melaats zijn is niet gezien worden en niet gehoord. Sterker nog, ze lopen met een bochtje om je heen, of keren al om als ze je huis ontwaren op drie kilometer afstand. Wanneer in de middeleeuwen werd ontdekt dat je melaats was, zei de priester in een ritueel tegen je: “Ik verbied je de kerk binnen te komen, het plein, het klooster, de markt, de molen en de kroeg... Ik verbied je ooit je huis te verlaten zonder je melaatsenkleding te dragen...te leven met een andere vrouw dan je eigen...een bron, of een ophaalkoord aan te raken zonder je handschoenen... om kinderen aan te raken of om ze iets te geven... te eten en te drinken, behalve met melaatsen.”

Een belangrijke stap in de bekering van Franciscus is dat hij een melaatse tegenkomt, in eerste instantie doorrijdt, maar zich bedenkt en omkeert. Hij geeft de melaatse geld en kust hem. Melaatsheid is een vorm van lepra en dat is besmettelijk. Wanneer we een kerk inlopen in Rivotorto waar Franciscus een melaatse heeft genezen, zegt Anne-Marie, die arts is, dit nog eens heel indringend. Met de kus aan de melaatse liep Franciscus het risico besmet te worden. Waarschijnlijk is dit ook gebeurd, denkt Anne-Marie, en is de oogziekte waar Franciscus aan leed daar het gevolg van, al wordt dit nooit zo benoemd.

De kaart die ik vandaag is een antwoord op de vraag: Wie is de melaatse die ik keer op keer tegen kom, die ik geld zou moeten geven en zou moeten kussen?

Er is in Franciscaanse kringen veel nagedacht over wie de melaatse is die Franciscus kuste, heb ik gelezen. Was de melaatse Christus in vermomming? Jezus zegt: Wat je aan de minste doet, doe je aan mij. Minder dan de minste is de melaatse zelfs, en zo bezien is hij Christus in vermomming en is het Christus die Franciscus gekust heeft en geld heeft gegeven. 

               

De tarotkaart die ik getrokken heb bij de vraag over wie de melaatse is die ik moet kussen, is: ‘Tien van de Pentakels’. Op de kaart is een stadspoort te zien. Onder de poort zijn mensen. Het is er druk, bedrijvig en welvarend. De drukte wordt nog eens versterkt door al de pentakels op de voorgrond. Het is bijna benauwd. Als ik mezelf de vraag stel wie de melaatse is op deze kaart, kan ik hem niet vinden en vraag me af waar hij dan wel is. En als ik mij inleef, merk ik dat ik me voor de kaart bevind en probeer om mijzelf tussen de pentakels door te wringen om ook op de kaart te kunnen staan. Hmmm, ik zelf ben dus de melaatse, en probeer met alle macht in de stad te komen. Niet gezien en niet gehoord. Het lukt niet goed. Ik hoor er niet bij, ze lopen allemaal een stukje om als ze mij zien.

De tarotkaart ‘Tien van de Pentakels’ staat voor traditie, voor overgeleverde normen en waarden; voor traditie die zo benauwend kan zijn. Het liefst zie ik de mensen onder de poort op de kaart als iets buiten mij, als ‘de stad’, de moderne rationele cultuur waar tarotkaarten niet bij horen. Ik zelf ben dan de zigeunerin die buiten de stadspoort zit met haar kaarten, of de sibyille in de grot in het bos die de mensen in de stad liever niet horen spreken. Het is pijnlijk, maar ook makkelijk om zo naar de kaart de kijken. Ik ben de melaatse die niet gezien wordt. Stomme stad die mijn gave mist, of stomme ik, had ik maar iets anders moeten kiezen.

Zo is het als ik de stad zie als iets wat buiten mij is. Maar ik kan de stad ook zien als een deel van mijzelf, net zo als ik de melaatse kan zien als deel van mijzelf. In de Franciscaanse traditie wordt de melaatse wel op die manier gezien, als een deel van Franciscus. De melaatse is dan een stuk in hemzelf dat hij verwaarloost, een halfvergane kant die er niet zijn mag. Als Franciscus dan omdraait, van zijn paard afstapt en de melaatse een kus geeft, dan kust hij die delen in zichzelf wakker die hij verwaarloost en liever niet wil zien.

Als ik nog eens naar de kaart kijk, dan valt mij de man op in het midden van de kaart op die recht vooruit kijkt, waar we het achterhoofd van zien. Hij moet zich omdraaien en de melaatse kussen. Ik moet dat doen, ik moet mij omdraaien, de sybille uit de grot halen en naar haar luisteren, de zigeuneres binnen de poorten halen. Daar hoort ze thuis.


Clara met monstrans

Armoede

Midden in de Santa Maria degli Angeli, een hele grote kerk op loopafstand van Assisi, staat een klein kapelletje. Het heet Portiuncula. Dit is het kleine kapelletje waar Franciscus en zijn broeders lange tijd hun onderdak vonden. Het is ook de plaats waar Franciscus heen gebracht is toen hij ging sterven. Hij stierf hier naakt, naast de kapel, om duidelijk te maken dat hij niets bezat, geen huis en geen pij. Met Cockie en Rob, die Franciscaan is, staan we er een tijdje stil en praten over het armoede ideaal van Francisus en Clara. Zij wilden Christus navolgen tot in hun tenen en ze hebben dit opgevat ‘als arm’ zijn, als leven zonder bezit. Arm zijn als Christus gaf hen grote rijkdom. Ons gesprek naast het kapelletje betekent een keerpunt voor mij. 

         

Bij dit kleine kapelletje hielden de broeders hun jaarlijkse bijeenkomsten ‘kapittels’ genoemd. In die samenkomsten praatten ze over hun ‘regel’, waar hun voorschriften in stonden, en ze pasten die ieder jaar een beetje aan. De mate van armoede was daarbij een belangrijk punt. Franciscus wilde heel arm zijn; veel anderen in de orde wilden daar niet zo ver in gaan. Franciscus is daar zeer teleurgesteld in geweest tegen het eind van zijn leven.

Clara heeft net als Franciscus, haar hele leven gestreden voor het armoede ideaal. Zij stierf pas toen de Paus toestemming had gegeven arm te zijn. Haar klooster hoefde geen bezittingen te hebben waarvan de vrouwen zouden kunnen leven. Ik sympathiseer met Clara en haar strijd arm te mogen zijn. Haar brieven lezend, en met haar meevoelend gaat dat vanzelf. Toch heb er ook een strijd mee. In december ga ik in La Verna een cursus over Clara geven. Wat moeten mijn cursisten en ik met een ideaal van daadwerkelijke, letterlijke armoede? En als ik me die pausen indenk waar Clara mee van doen had, kan ik me ook wel wat van hun tegenstand indenken. Het is een heel gedoe, vrouwen in slotkloosters waarvoor gebedeld moet worden, en die ook nog echt dood gaan als er niets te eten komt. Die pausen die ertegen waren, hadden wel een punt. Ook kan ik me de broeders in de groeiende orde van Franciscus voorstellen. Duizenden bedelende broeders die nergens wonen, dat is niet houdbaar. Rob vertelt hoe blij hij is met het dak boven zijn hoofd. Daar en dan, naast dit kapelletje, waar de broeders in hun kapittels zo vaak over het ideaal van armoede gestreden hebben, laat ik dat hele radicale armoede ideaal van binnen uit los. Ik besluit om armoede echt anders op te vatten, als iets van binnen, als een erkennen van armoedigheid en behoeftigheid in jezelf. Ook moeilijk hoor, want wil je daar nou naartoe, naar je eigen armoedigheid? Maar daar zit wel groei in, en rijkdom denk ik ook. 
Clara met monstrans

Het plastic altaarkleed

Van maandag op dinsdag tijdens onze reis in Assisi lig ik wakker. Ik heb buikpijn. Dinsdagmiddag hebben we vrij en wil ik naar Bastia gaan, een dorpje dat acht kilometer van Assisi ligt. Daar is op een begraafplaats het kerkje dat vroeger bij het klooster San Paollo della Abbadesse hoorde. In dit klooster heeft Clara asiel gekregen na haar vlucht. Het was een deftig klooster dat asielrecht had gekregen van de Paus. Clara had asiel nodig toen ze intrad. Ze kwam uit een voorname adellijke familie, woonde aan het belangrijkste plein van de stad. Ze maakt haar familie zeer ten schande door Franciscus achterna te gaan en te willen leven van aalmoezen. Het zat erin dat haar familie haar terug zou komen halen. Nadat Clara ‘s nachts in het afgelegen kerkje van Portiuncula haar wereldse kleren heeft verwisseld voor een habijt, haar hoofd is kaalgeknipt en ze de gelofte van armoede heeft afgelegd, gaat ze daarom naar dit klooster. Daar is ze veilig. Ik wil heel graag naar die kapel van dat klooster toe, maar ik heb geen idee hoe ik daar moet komen. Rob en Anne-Marie, onze reisleiders, zijn er nog nooit geweest. Het is geen toeristenplek, dus onbekend, en nu ik zo lang wakker lig...ik vind het niet verstandig van mijzelf om dit te gaan doen. De reis is al zo intensief.

De volgende morgen is er geen enkele twijfel. Ik zal en moet naar de plaats waar Clara asiel heeft gekregen. Vanochtend gaan we te voet naar Portiuncula en van daaruit ga ik erheen. Grappig, zo ga ik de weg die Clara ook ging. Met de taxi, want een bus is er niet en de trein loopt niet handig. We zijn uiteindelijk met z’n zevenen: Ali is erbij, Annelies, Rob Vogel, Catharine en haar partner Rob, en ik. Het is een onderneming, zo op onszelf om naar zoiets onbekends te gaan. We vinden het een avontuur, en zijn allemaal een beetje zenuwachtig. 

           

Het kerkje is open. De deur sluit met een halfopen hangslotje. Het is een Romaans, oud, sober kerkje. Zittend op een kerkbank vlak bij de deuropening voor het licht, lees ik het verhaal over Clara’s vlucht voor. Haar familie is diep gekwetst en komt haar inderdaad terughalen met vleiende beloften, giftige raadgevingen, maar ook met ruw geweld. Clara heeft dubbele immuniteit. Ze heeft asiel van het klooster, maar ook is haar hoofd kaalgeknipt, wat een teken is dat zij zich aan God en het altaar heeft toegewijd. Als haar familieleden haar willen pakken om haar mee te nemen grijpen, grijpt Clara daarom het altaarkleed en ontbloot haar kaalgeknipte hoofd. Ze houdt stand en na enkele dagen verdwijnen de familieleden. 

        

We zitten er wat, zijn verbaasd over het weinige dat herinnert aan het asiel. Geen schilderij, geen fresco. Er hangt alleen een witte plaquette waarop staat dat Franciscus hier in 1927 herdacht is, op de plaats waar Clara haar toevlucht heeft gezocht. Net als bij het bosaltaar van Franciscus bij de Carceri, een paar dagen geleden, worden we steeds stiller. En heel rustig steken we langzamerhand wat lichtjes aan en fotografeer ik het plastic altaarkleed. 

                    
Wind en regen

De reis naar de Franciscaanse boekwinkel

Het is half drie, dinsdagmiddag op mijn reis naar Assisi. We hebben een vrije middag en staan met een groepje bij een taxi. We zijn bij een begraafplaats in de velden rond het dorpje Bastia, waar we het kerkje bekeken hebben van het klooster dat Clara asiel heeft verleend nadat zij Assisi ontvlucht is. 

       

Ik wil terug naar waar we vandaan komen. We kwamen met de taxi van Santa Maria degli Angeli. Daar ben ik die morgen de internationale Franciscaanse boekhandel binnen gelopen, maar hij sloot en ben er nog lang niet uitgekeken. Dat lukt niet, de anderen willen terug met de taxi naar Assisi en dat blijkt een directe weg te zijn. Eerst naar Santa Maria degli Angeli is een stuk duurder. Ik besluit dat ik toch echt graag naar de boekhandel wil en neem me voor de bus te nemen uit Assisi.

Ali, die Italiaans spreekt, en bovendien heel praktisch is, heeft aan de taxichauffeur gevraagd wanneer de winkel weer open gaat. Dat is pas om vier uur en hij vertelde ook dat er een internationale Franciscaanse boekhandel in Assisi is. Daar gaan Rob Vogel, Ali en ik eerst naar op zoek als we terug in Assisi terug zijn. Rob vindt hem, maar hij is dicht en hij lijkt ons erg klein. Het is duidelijk. Ik ga naar de boekwinkel in Santa Maria degli Angeli. Bij de Tourist Office kijken we z’n drieën welke bus ik moet hebben en waar ik moet instappen. Ik zet Ali haar nummer in mijn mobiel voor als ik te laat ben met eten, en zij die van mij, zodat ik niet kwijtraak. Na een kop koffie loopt ze met me mee naar de halte.

         

In de boekhandel vind ik een Engels boek over liederen die Franciscanen zingen bij hun specifieke Franciscaanse feesten. Ik aarzel, misschien leuk voor Coen, maar neem het toch niet. De boeken zijn heerlijk. Ik blijf er heel lang en kom helemaal tot rust. Ik koop het boek van Joan Mueller, “Clare´s Letters to Agnes”. Ik ken haar Engelse vertaling van Clara´s brieven van het internet. Die is mooi. Ik heb hem vorig jaar in de Advent gebruikt voor mijn blog, toen ik nog in het Engels blogde. Nu ik het boek in handen heb waar de vertaling en in staat en nog veel meer, ben ik helemaal lyrisch. Het heeft een prachtig notenapparaat met redenen waarom ze een woord op een bepaalde manier vertaalt en welke andere vertaalmogelijkheden er zijn. 

          

Ik stap gelukkig goed uit. Als we bovenin Assisi zijn aangekomen en de bus stopt bij de basiliek, gok ik dat er twee uitstapmogelijkheden zijn. Assisi is langgerekt dus het moet even duren voor de bus er is, toch aarzel ik als we onderlangs de muur van Assisi rijden; het duurt zo lang. Tjonge, als we nu eens niet meer stoppen, wat zou de eerstvolgende halte dan zijn en hoe kom ik dan weer terug.

De hele week sleep ik mijn nieuwe boek overal mee naar toe.