April 20th, 2009

Ballonnen

Maria in de boom

Het is maandag en we zijn in La Verna, het klooster op de berg waar Franciscus zijn kruiswonden gekregen heeft. Om drie uur zullen we met de processie meelopen die daar iedere dag gehouden wordt. We zijn net bij de holte geweest die ontstaan is toen de berg Franciscus bescherming bood, op het moment dat de duivel hem kwam bezoeken. De berg sloot zich om Franciscus heen en toen was hij veilig. Nu is er even niks. Ik zit op een steen bij het hek dat er voor zorgt dat we niet naar beneden vallen, want we zitten hoog. Anne-Marie luistert naar de vogels; ik kijk naar de kruisjes van takjes die in het hek gestoken zijn. Selma maakt foto’s. Ik hoor Ali en Reinie, ze zijn vlak boven ons. 

                      

Met z’n allen lopen we verder en komen bij een kapelletje. Het ligt vlak tegenover de gang van de stigmata waar iedere middag de processie doorheen gaat. De kapel is klein en licht. Op de muur van de absis, achter het altaar, is een fresco te zien, ovaal van vorm. Op de fresco staat een boom. De boom is zo groot, dat hij maar net in de ovale vorm past. In de boom zit Maria, met Jezus op haar schoot. De boom is donkergroen en heeft een volle kruin, als een eik in de zomer. Het is een beeld van vruchtbaarheid, maar ook van kracht en rijpheid. We zijn verrast; het is ongebruikelijk Maria afgebeeld te zien in een boom. Op de linkermuur zit ook een fresco. Met z’n allen ontcijferen wat er op staat, we denken dat het opstanding is en tellen hoeveel engelen er zijn.

In de souvenirshop is misschien wel een boek te vinden waarin iets over deze kapel te vinden is, zeg ik. En al hoor ik dit mezelf voorstellen, het is alsof er nog nooit eerder iemand in deze kapel geweest is, alsof wij de eerste zijn die hem ontdekken.
Yom Kippur Katan

De stigmata

Het is maandag. Vandaag gaan we naar La Verna, de berg waarop Franciscus de kruiswonden van Christus ontving, de ‘stigmata’. Ik ben er benieuwd naar. De laatste dagen voor ik op reis ging heb ik hard op de stigmata gestudeerd om tot een vraag voor mijn tarotkaart te komen voor vandaag. Franciscus kreeg zijn stigmata na een visioen. Hij zag in zijn visioen een serafijn, een engel met zes vleugels. De serafijn was gekruisigd. Na het visioen, als hij overdenkt wat dit te betekenen heeft, krijgt hij de kruiswonden. 

             

Ik raakte er helemaal in verdiept en ontdek dat bij Thomas van Celano, die de eerste levensbeschrijving van Franciscus geschreven heeft, het de serafijn zelf is die gekruisigd is. Maar Bonaventura, die een latere levensbeschrijving over Franciscus heeft gemaakt, en de orde een bepaalde kant uit wil hebben, schrijft dat tussen de vleugels een gekruisigde man naar voren komt. Hij maakt de serafijn menselijk. Ik kom ook een verhaal uit de Fioretti tegen, de wonderverhalen over Franciscus. In dat verhaal is het de gekruisigde Christus die uit de serafijn tevoorschijn komt. De beschrijving in de Fioretti vind ik het leukste. Die is veel uitgebreider. Er staat in dat broeder Leo, tegen het bevel van Franciscus in, naar hem gaat kijken en daarbij een brug over een kloof oversteekt waar hij niet overheen mocht, en dan in verrukking ziet hoe Franciscus knielt, zijn armen ten hemel heft, zichzelf ‘de laagste worm’ noemt en dit steeds herhaalt. Ik heb veel plezier om het tafereel. Om broeder Leo die toch de kloof over gaat als een ondeugend jongetje en om Franciscus, die zichzelf ‘laagste worm’ noemt. Zo grappig, zo over de top; alsof Franciscus er een beetje wordt tussengenomen. Nu ik dit allemaal gelezen heb, begrijp ik de eerste tekst die ik las over de stigmata, in “Living the Incarnation” van Frances Theresa, veel beter. Ze zegt zich te baseren op Celano, maar gebruikt Bonaventura en het wonderverhaal. Het blijft toch moeilijk om een vraag te vinden. De flaptekst van het boek: “Wondtekenen en wondertekenen” dat ik doorblader met Google geeft uiteindelijk inspiratie. De vraag waar ik op kom is: Welke wond krijg ik in het navolgen van Franciscus? 

                                                      

‘s Ochtends voor het ontbijt op de dag dat we naar La Verna gaan trek ik de tarotkaart die een antwoord moet geven op de vraag welke wond ik krijg in het navolgen van Fransciscus. Het is ‘Drie van Staven’. Op die kaart staat een rijke koopman die uitkijkt of zijn schepen met koopwaar al binnenkomen. Franciscus navolgen betekent het kleed van de rijke koopman afleggen en dat doet pijn. Ik ben niet helemaal tevreden met mijn duiding; ik heb het idee dat het niet alles is. 

                                    

We gaan op weg. Ik verwacht dat de bus op de berg La Verna langs de weg zal stoppen en wij een stukje zullen lopen naar een eenzame plek in de bergen waar niemand anders zal zijn. Het is heel anders dan ik denk. We komen niet in een bos terecht, maar in een enorm pelgrims- en kloostercomplex, gebouwd in en op de rotsen. Er zijn ook een heleboel mensen, broeders, nonnen en pelgrims. Toch is in dat complex bos eenzaamheid te vinden en diepe, donkere, natte kloven en spleten. We zien ook de kloof die broeder Leo overstak tegen het verbod van Franciscus in. Anne-Marie, Ali en ik kijken op welke manier de kloof doorloopt onder het klooster door en waar hij uitkomt. Om drie uur doen we mee met de processie die daar iedere dag gehouden wordt. We lopen achter de broeders aan in een lange stoet door de gang van de stigmata naar de kapel die er aan herinnert. In de liturgie zit een responsiegebed waarin tot Maria gebeden wordt. Ze wordt met wel tweeënvijftig namen aangesproken. Na iedere naam vragen we of zij voor ons wil bidden. Het is fijn om dat mee te zingen.

Bij de processie is er een non die de weg vrij maakt voor de stoet. Het is een jong meisje met ogen als meren. Ze doet denken aan Julie Andrews, die Maria speelt in de Sound of Music, al ze is ietsje ernstiger. Na de processie staat ze vlak bij ons en ik spreek haar aan. Ze komt uit Duitsland, ze helpt hier. Ze heeft geen tijd, als ik haar spreken wil dan moet ik meelopen. Dat wil ik wel: het klooster in, en misschien plekken zien waar je als toerist niet komen mag. Ik loop haar snel achterna en Catharine en haar partner Rob ook. Het meisje loopt terug door de gang van de stigmata waar we net vandaan komen en staat stil bij een sacristie. We zien door de open deur broeders die zich verkleden voor een dienst. Ze begint te vertellen. Het gaat over de stigmata. Ik weet niet wat ik hoor, want dat is waar ik zo op gestudeerd heb de laatste dagen voor mijn reis. Ze vertelt het verhaal in de context van de ontwikkelingen in de orde, en verbindt het met ons eigen leven. Ze vertelt dat Franciscus wist dat hij bijna ging sterven en hoe hij verscheurd werd door twijfel over de richting die de orde uitging en over zijn rol daarin. De orde was lang zo streng niet meer als in het begin en daar leed Franciscus onder. De broeders waren niet meer zo arm als in het begin. Het ideaal van armoede loopt een als spleet door de orde heen. Franciscus beveelt de broeders die bij hem zijn, te blijven waar ze zijn en gaat zelf over de kloof heen naar de andere kant. Ze wijst waar de kloof onder het klooster doorloopt. Ik heb de kloof net gezien. Het geeft het verhaal extra drama. Ik kan het me helemaal voorstellen. De broeders zijn aan de ene kant van de kloof. Franciscus is aan de andere kant, in zijn eentje, op afstand van de orde en al een beetje dichterbij God. En als ik verder denk dan ontstaat de verscheurdheid die hij voelt ook in zijn lichaam als kruiswonden. Het meisje vertelt verder. Franciscus wilde weten of hij het wel goed had gedaan. Hij wilde de pijn voelen van Jezus in zijn lijden, en ook zijn liefde voor ons. Die twee dingen: de pijn en de liefde wilde hij meemaken. Franciscus gaf zich over aan zijn pijn en huilde en huilde. En de tranen maken zijn hart zacht. Dat vertelt ze en ze wijst naar haar eigen hart en zegt dat dit ook met ons gebeurt als we huilen, dan scheurt en brokkelt de muur rond ons hart een stukje weg, dan wordt ons hart zacht. Ach, wat raakt ons dat, daar in die gang van de stigmata. Ze eindigt met het visioen en verdwijnt de sacristie in.

Veel later kijk ik nog eens naar de tarotkaart. Als ik mezelf neerzet op de plaats van de koopman in de kaart, valt het me op dat het donker is voor mij uit. Ik kijk naar iets heel anders dan de rijke koopman. Ik kijk niet uit op een rivier, maar zie duisternis die als een muur voor me staat. Franciscus richt zich niet op uiterlijke rijkdom. Met zijn levenshouding van boete doen kijkt hij in zichzelf, naar het donker dat daar is, en hij doorvoelt en doorgrondt dat. De donkere grotten en de spleten waarin hij verblijft laten dit beeldend zien. De oogziekte die hem blind maakt, doet dit ook. Hij kijkt naar de duisternis in zijn hart en wil die verlichten. Franciscus navolgen en een wond op oplopen is naar binnen kijken. Het is ervaren dat het hard is om mijn hart, erkennen dat het donker is voor mij uit, dat ik niet weet hoe verder te gaan, en daar dan ook nog eens de kostbaarheid van erkennen, de liefde, het zachtere hart dat komt als ik dat doe.
Monstrans

De vergeten kapel

Aan het einde van ons bezoek aan La Verna, een oud klooster- en pelgrimscomplex op de berg waar Franciscus de kruiswonden ontving, sta ik in de souvenirshop en ik baal. Ik koop ansichtkaarten van twee dingen die ik gemist heb. Het zijn twee stenen, geglazuurde schilderijen; hout vergaat op deze natte berg. Ik denk dat ze in de kerk hangen waar de processie begon, daar heb ik twee soortgelijke schilderijen gezien. Ik geef mezelf op de kop dat ik meer had moet rondkijken in de kerk, zoiets moois gemist! Teruggaan kan niet. Anne-Marie, onze reisleidster, was me al tegemoet gelopen toen ik van de kerk naar de souvenirshop liep en vroeg of ik de laatste was. 

            

Dan staat Reinie plotseling midden in de winkel. Ze is binnengekomen door een onopvallend deurtje dat ik niet had gezien. Ze vertelt dat ze door het klooster is gaan lopen, dat ze dat altijd doet als ze in gebouwen is en dat je dan heel veel ziet. Ze kwam uit bij deze deur. Ze neemt me mee terug door het deurtje, want ze heeft een enig kapelletje gezien. We gaan op weg. Het klooster is immens en het is enig om er doorheen lopen. We komen niemand tegen. Gelukkig maar, de jonge non waar ik zojuist mee heb staan praten wil ik niet ronddwalend door wie weet verboden gangen tegenkomen. Voor we het kapelletje binnen stappen ziet Reinie een trap die vlak bij het kapelletje naar boven loopt. We twijfelen of naar boven zullen gaan. Er hangt een bord bij; het kan wel eens verboden zijn. Het kapelletje is klein, schattig en in gebruik.

Ik denk nog na over de trap wanneer we ons omdraaien om uit het kapelletje te gaan, als Reinie me wijst op de deur van een kapel er recht tegenover. Daar ben ik ook nog niet geweest. Het blijkt een hele belangrijke kapel te zijn. Hij staat op de plek van het kerkje waar broeder Leo en de andere broeders gewacht hebben aan de ene kant van de kloof, terwijl Franciscus aan de andere kant van de kloof zijn kruiswonden kreeg.

Als ik binnenstap in die kapel hou ik mijn adem in. Ik zie daar de stenen schilderijen van mijn kaarten. Ze zijn heel groot, glanzend en indrukwekkend, ook omdat we daar met z’n tweeën in ons eentje zijn. Ze hangen dwars op de zijmuren, midden in de kerk, en verdelen het schip in tweeën. Je kunt er tussendoor lopen. Ik herinner me dat de jonge non met wie ik gepraat heb even geleden, deze kapel genoemd heeft in haar verhaal over de kruiswonden. Ik kijk. De schilderijen zijn blauw met geel en een beetje groen.  

           

Aan de ene kant hangt de geboorte van Christus. God houdt op die afbeelding het geheel bij elkaar met uitgespreide armen, en ach wat veel engeltjes. De duif is er ook alvast. Twee monniken, waarvan één Franciscus, flankeren Maria en Jozef; hun lichte pijen steken af bij de rest. 

           

Ernaast hangt een kruisafname. Aan het kruis hangen de martelinstrumenten nog. Christus zakt in het graf. Deze is zo mogelijk nog tederder dan die van de geboorte. Engelen op wolken kijken aanbiddend toe en Johannes heeft zijn verdrietige hoofd naar ons gewend. Jezus is zwaar, dat zie je aan de plooi in zijn rechteroksel waar de engel hem vasthoudt om hem te laten zakken. Dat ik dit prachtigs allemaal nog gezien heb!

Tijd voor de trap naar boven is er niet meer.