Groei

Scherven en seizoenen

Ik ben op een studiemiddag van feministisch theologen. De studiemiddag gaat over het boek “Als scherven spreken” van Kune Biezeveld, waar zij tot vlak voor haar dood vorig jaar september aan gewerkt heeft. Er zijn een aantal korte verhalen over het boek, met daarna discussie, ik ga ook iets zeggen. Mijn verhaal is over onze seizoensvieringen hier in het noorden, die aan het boek van Kune raken en die een spannende zoektocht zijn voor de mensen die eraan werken. De vieringen zijn een missionair project van de PKN voor randkerkelijken. Ze sluiten aan bij de Keltische traditie van 8 jaarfeesten, maar zijn tegelijkertijd protestant. In de vieringen worden de overgangen van de seizoenen gevierd. Doordat het seizoensfeesten zijn, is er ook een raakvlak met volksgeloof.

Wanneer ik over de eerste viering vertel van 2 februari, Maria Lichtmis, ben ik weer helemaal terug in het kerkje in Vledder. Hoe we daar zaten in het witgepleisterde koor van het oude kerkje, en er bloempotten stonden met zwarte aarde. Dat we het verhaal hebben gelezen van Simeon en Anna, die in de winter van hun leven de messias herkennen in de baby die de tempel wordt binnen gedragen terwijl daar nog helemaal niets messiasachtigs aan te zien is. En hoe we daarna op die tweede februari de lente binnengezongen hebben, midden in de winter, op het moment dat er nog niks van lente te zien is.             

Op één stukje van mijn verhaal heb ik thuis geoefend; ik kreeg steeds tranen in mijn ogen als ik het las. Kune schrijft over beeldjes van de godin Asjera die teruggevonden zijn en die de functie hadden om te beschermen. Ze vraagt zich af wat we zijn kwijtgeraakt toen deze godinnen uit het geloof zijn verdwenen en JHWH de enige god werd. Een eind verder komt ze hier op terug en vertelt over een tentoonstelling die ze gezien heeft in het Joods historisch museum. Op die tentoonstelling zijn amuletten te zien die Chassidische Joodse vrouwen gebruikt hebben bij risicovolle momenten in een vrouwenleven, bij bevalling en zwangerschap. Deze amuletten waren verboden, toch zijn er veel van teruggevonden, op verschillende plekken. In het volksgeloof bleven de amuletten bestaan. De vrouwen hadden ze nodig. Ze konden niet zonder. Kune ziet deze amuletten die bleven, terwijl het niet mocht, als een aansporing voor ons om in ons geloof ruimte te maken voor die aspecten van het menselijk leven die zo risicovol zijn als zwangerschap en geboorte. Als we daar ruimte voor maken keert terug wat verloren is gegaan bij het verdwijnen van de godinnen. 

           

Na de lezing stelt iemand de vraag wat ons criterium is, wat bepaalt wat kan en niet kan in onze vieringen, wat we gaan doen als iemand met een vruchtbaarheids godinnenbeeldje aankomt.

Mijn eerste opwelling is de vraag terug te geven: “Wat gebeurt er met jou en je geloof als iemand een godinnenbeeldje meeneemt? Wat zegt zo’n beeldje jou? Wat zegt zo’n beeldje over jezelf als vrouw? En eigenlijk zijn dat vragen aan mijzelf. Ik zie mij dan weer in de heilige Franciscus grot in Fonte Colombo zingen over moeder aarde en herinner me weer hoe ongemakkelijk ik me daarbij voelde. 

           

Kune pleit niet voor amuletten, voor godinnen, of voor godinnenbeeldjes in ons geloof. Ze wil geen omkering van een mannelijke god naar een vrouwelijke. Wel geeft ze veel ruimte aan wat de scherven van Asjerera’s ons te zeggen hebben, aan wat we missen, omdat ze weggevallen zijn uit ons geloof. Dat vind ik zo leuk aan Kune haar boek, dat ze niet onmiddellijk roept: “Oh nee, dat kan niet, ik laat mij niet in met godinnen”.

Kune verbindt het heden met het verleden. Ze herziet het beeld van deze godinnen als tempelprostituees en toont aan dat Asjera de partner was van die god die tot JHWH uitgroeide. Ze herziet ook het voor vrouwen reducerende beeld dat dit vruchtbaarheidsgodinnen waren. Asjera werd verbonden aan bomen en bossen had de functie hadden om te regenereren en beschermen. Ze relateert het gemis aan aandacht voor de complexiteit van het menselijk leven in het geloof, de aandacht voor de grenzen waarbinnen we leven, aan het verdwijnen van de Asjera’s met hun regenerende en beschermende functie. Ze vindt dat met het verdwijnen van die godinnen iets belangrijks is verdwenen uit ons geloof, en dat het zaak is om wat om wat daarmee verloren hebben weer een plaats te geven.

Een eerdere reactie op het boek van Kune die middag was: “Is het wel zo vernieuwend, dat boek? Dat weten we toch allemaal al lang, dat er godinnenbeeldjes gevonden zijn, en dat die godinnen niet de tempelprostituees waren die we dachten, en dat Asjera de partner was van een god waaruit JHWH voortgekomen is? Dat weten we toch allemaal al?

Misschien weten we dit allemaal wel al lang, maar om daar in onszelf ruimte voor te maken, ook in ons geloofsleven, om dit echt tot ons door te laten dringen, dat is een nieuwe stap.

Amulet: Shmirah, door Mordchai the scribe, 1832, Slovakia, Nitra
Pillar figurine van Asherah