Swarming in Amsterdam

Op vrijdagochtend 26 april ging ik vroeg in de ochtend het huis uit met een telefoonnummer en een naam van een advocaat op mijn arm geschreven. Ik deed mee aan de eerste ‘swarming blokkade’ in Nederland. Zes verschillende groepen, ‘swarms’, gingen in de ochtendspits in het centrum van Amsterdam, straten blokkeren. Steeds 7 minuten lang en dan verplaatste de swarm zich naar een andere straat. Doel van de actie was, verkeershinder te veroorzaken, zodat het door gaat dringen dat we geen tijd te verliezen hebben, dat we nog maar tot 2025 hebben om de broeikasgassen terug te brengen tot 0, en niet langer. Worst case scenario was, dat we opgepakt zouden worden, vandaar dat nummer en die naam. Ik had er die nacht niet van geslapen. En ik was niet de enige.

We waren goed voorbereid. Iedereen in de swarm had een ‘buddy’, iemand op wie je lette of het goed ging, en diegene lette ook op jou. Er waren mensen die tot taak hadden de moed erin te houden. Er was iemand die met de media sprak, iemand die alles filmde om later te kunnen zien wat er precies gebeurde als er iets mis zou gaan, en een politie liaison, dat was ik. We hadden een lange banner om achter te staan, die dwars op elke straat zouden passen. We hadden koekjes om uit te delen aan de wachtende automobilisten, en grote borden om te laten zien hoeveel minuten het wachten nog zou duren. We wisten dat automobilisten boos zouden zijn, dat het enorme irritatie op kon wekken. Toch waren we niet voorbereid op wat zou gebeuren.

Vrolijk rolden we keer op keer onze banner uit en stapten de te blokkeren straten op. Hielden de minuten bij, deelden koekjes uit aan lange rijen wachtende automobilisten. En zongen de vrolijke en bittere liedjes over klimaatrechtvaardigheid, zoals: “…I hear the voice of my great granddaughter, singing climate justice now…” Op een gegeven moment scheurde een auto vlak voor onze blokkade langs, illegaal de hoek om. Twee agenten op motor schoten hem achterna.


Bij de volgende blokkade, bij de ingang van de IJtunnel, veranderde alles. We rolden onze banner uit, stapten de straat op en toen gebeurde het. Twee auto’s, bijna over ons heen. Als politie liaison blijf je buiten de actie, blokkeer je niet mee. Maar ook ik stapte geschrokken in de blokkade, om die te versterken. Tomeloze agressie. Op het nippertje niet overreden. Politie was nog ver weg, de bon uit de vorige blokkade uit aan het schrijven. De lange, lange banner was niet lang genoeg, raakte niet tot aan de stoep. Een voorbijgangster schoot ons te hulp.

Na dit gebeuren was de stad anders. De wegen leken breder, de gebouwen intimiderender. En er was zoveel geluid. We zijn geweldloos in Extinction Rebellion, vechten niet, trainen ons erin om zacht terug te spreken, als iemand tegen ons schreeuwt. Maar we begeven ons wel in geweld. Dat geweldloze roert een kern aan. Iets wat eindeloos is en groot in ons en nooit opraakt. We zijn in een kring gaan staan, en hebben ons daarmee verbonden, en daarna met elkaar, de vogels, de gebouwen, de harde geluiden en ook met de automobilisten. Dat hielp om verder te kunnen gaan.

Voor mij is er die dag iets onomkeerbaar veranderd. Toen ik ‘s ochtends van huis ging, was ik bang om gearresteerd te worden. Surrealistisch vond ik dat, toen ik thuis kwam, volkomen onbelangrijk. Ik kwam die dag tot het besef dat ik kon sterven in de actie die ik voerde. Ik realiseerde me dat ons leven op het spel staat op het moment dat we de weg op stappen. Het is een daad van zelfopoffering, van vrijheid om dat toch te durven doen. Je loopt werkelijk het risico het leven te verliezen.

Voor het blog van Extinction Rebellion.nl

De vrouw uit het Soesterkwartier en de vrouw bij de bron. Analyse van een filmpje voor pioniers

Er is een filmpje gemaakt voor de leergemeenschap Pionieren van de Protestantse Kerk. Het kwam in april 2019 uit. Het is bedoeld om te leren ‘luisteren’. Dat is de pioniersterm voor het leren kennen van de behoeften en verlangens van de mensen buiten de kerk met wie je een gemeenschap wilt vormen. Het is een essentieel onderdeel van pionieren. Ik geef in dit stuk een reflectie op dit filmpje.


Een PDF met een bijna letterlijke tekst van het filmpje.

Het filmpje is gemaakt aan de hand van ervaringen van Oeds Blok in de gemeenschap Buurtkerk Soesterkwartier in Amersfoort. Hij vertelt aan de hand van zijn ervaringen hoe je het luisteren het beste kan aanpakken. Er zit de oprechte wens in om mensen buiten de kerk te leren kennen en er een diepgaand contact mee op te bouwen.

In het begin van het filmpje introduceert Blok een probleem waar hij een oplossing voor biedt. Dat is de schrik en angst die je kan voelen wanneer iemand heel andere denkbeelden heeft, die dichtbij komen. Dat heeft vaak tot gevolg dat je je terugtrekt uit het gesprek en je niet meer nieuwsgierig bent naar de ander. Blok propageert om dit te signaleren bij jezelf, je normen en waarden los te laten, je aandacht helemaal te richten op je gesprekspartner en om vragen te stellen over die denkbeelden en de betekenis daarvan in iemands leven. Dan ontstaat er, zegt Blok, misschien ruimte waarin jij jouw visie in kan brengen en misschien een woord van Jezus. Het is een dynamiek van ‘loslaten’ en ‘uitspreken’.

De uitnodiging je bewust te worden van je angst is belangrijk. Ik kan dit niet genoeg benadrukken. Het kan er al zijn wanneer we ergens binnenstappen en de geur ruiken die er hangt. Angst is een onaangenaam gevoel. We willen het graag weg stoppen om het niet te voelen en wijzen de ander dan maar af. Het een belangrijk instrument dat Blok biedt. Deze manier van werken verdiept ontmoetingen met mensen die niet zijn zoals wij. Het is van het grootste belang, en ik denk dat we nog een stap verder kunnen gaan in de toewending. Ook zie ik een valkuil in het filmpje, in de wijze waarop vrouwen en mannen een rol krijgen en in de gehanteerde theologie.

Stereotypering

Het probleem wordt geïntroduceerd met een voorbeeld van een gesprek dat Blok voerde. Een gesprek met een vrouw. Samen met zijn team was hij drie keer bij een vrouw geweest om op te ruimen. Hij benoemt haar als een "leuk en creatief mens". In een gesprek was deze vrouw begonnen over karma en sterrenbeelden. Daar nu, was Blok van geschrokken. Hij voelde zich bedreigd, het kwam te dichtbij. Hij verloor het contact en wat hij het ergste vond, zijn nieuwsgierigheid. Het is een sterk voorbeeld. Weerstand tegen deze denkbeelden zal door veel christenen, vooral aan meer orthodoxe en evangelische kant van de Protestantse Kerk, herkend worden. In sommige kringen maak je dan een kruis met je wijsvingers, dat betekent dan dat het ‘occult’ is en verwerpelijk. Oeds poogt om daar niet zo’n oordeel over te hebben. Dat is een grote stap.

In dit voorbeeld nu, komen een aantal stereotyperingen van vrouwen samen. Het is voor vrouwen -en mannen- nadelig als die een rol gaan spelen in denkbeelden over God en heil. Dat doen ze van oudsher en we zullen zien dat dit ook gebeurt in dit filmpje. Dat is de valkuil die ik wil benoemen. De eerste stereotypering is: “Vrouwen zijn chaotisch”. Het is zo’n rommel bij deze vrouw dat zijn team er wel drie keer geweest is om orde te scheppen, zoveel was er te doen. De tweede stereotypering is: “Vrouwen zijn irrationeel”. De vrouw in het Soesterkwartier gelooft in sterrenbeelden en karma, beide niet rationeel te verklaren. In seculiere omgangstaal wordt dan gezegd: ze is ‘spiriwiri’, ‘aardstralenvrouwtje’, ‘zweefteef’. De derde is: “Vrouwen zijn exotisch en vreemd”. De vrouw is als vreemd, griezelig terrein dat onderzocht en in kaart gebracht moet worden, zodat ze niet meer gevaarlijk is (vgl.: Simone de Beauvoir, de Tweede Sekse, mythen) . Het vierde stereotype is dat van “Damsel in Distress”. De vrouw als hulpeloze, die gered wordt door de mannelijke held. De vrouw uit het voorbeeld kan haar huis niet zelf opruimen en wordt geholpen. We zien hier ook de ongelijkwaardige situatie van hulpgever en hulpbehoevende.

De vrouw bij de bron

Blok’s verhaal wordt steeds ondersteund met teksten uit de bijbel. Een stukje verder in het filmpje haalt Blok de tekst over Jezus en de vrouw bij de bron aan, waarin Jezus te drinken vraagt aan de Samaritaanse vrouw, die water aan het putten is (Johannes 4). Blok voert Jezus op als voorbeeld, als iemand die meester is in stellen van vragen en dus aandacht heeft voor zijn gesprekspartner. Het verhaal bij de bron spiegelt de situatie van het gesprek in het Soesterkwartier. Omdat het om een man en een vrouw gaat, waarbij de man en de vrouw dezelfde positie innemen, associeer je Blok met Jezus, en de vrouw bij de bron met de vrouw in het Westerkwartier. De Samaritaanse vrouw lijkt op de vrouw uit het Westerkwartier en Jezus lijkt op Blok. Net als de vrouw uit het Amersfoortse voorbeeld draagt de vrouw bij de bron geen naam. Ze is als Samaritaanse vreemd en anders, net als de vrouw uit het Westerkwartier. Verder heeft ze vijf mannen gehad, en de man die ze nu heeft is niet haar eigen man. Je zou dat als chaotisch kunnen kenschetsen. Jezus wil deze vrouw redden, zoals Blok de vrouw in Amersfoort redde met zijn opruimactie. Het is een ongelijkwaardige relatie.

Als we ons de tekst in herinnering brengen, dan spiegelt het verhaal over de vrouw bij de bron, het gesprek van Blok in Amersfoort niet helemaal. Bij de vrouw in het Soesterkwartier was het een rommel en werd er opgeruimd. Er vond een ordening plaats, waarin alles een juiste plek kreeg. In het verhaal van het vrouw bij de bron gaat het over water. Levend water stroomt. Interessant nu is dat dit een kenmerk is, dat stereotiep aan vrouwen toegeschreven wordt. Mannen ordenen en heersen; vrouwen stromen en vloeien. Jezus bezit hier dus kenmerken van een vrouw. Maar het water van Jezus is wel anders dan dat van vrouwen. Het water van vrouwen heeft te maken met geboorte, met het aardse, tijdelijke leven: menstruatie, borstvoeding, vruchtwater. Jezus biedt het levende water, het eeuwige leven. Jezus bezit dus een kenmerk dat aan vrouwen toegeschreven wordt, maar dan in overtreffende trap. Vrouwen hebben en bieden het aardse water. Jezus heeft toegang tot en schenkt het eeuwige, levende water.

Nog een verschil tussen het bijbelverhaal en het eerste gesprek is, dat de vrouw daarin vreemd en onbegrepen bleef. Blok liep daar tegen zijn probleem op. In het verhaal van de vrouw bij de bron blijft ze geen vreemde, maar wordt ze geheel doorgrond door Jezus. Jezus weet, zonder dat de vrouw dit gezegd heeft, dat ze vijf mannen heeft gehad en dat de man die ze nu heeft, niet de hare was. Jezus doorgrondt en doorziet haar. Jezus is dus paranormaal. Dat hoort bij de sterrenbeelden en het karma uit het gesprek in het Soesterkwartier, bij het irrationele, het zweefteverige, een van de stereotyperingen van vrouwen. Jezus heeft nu dit stereotiepe kenmerk, maar bij hem wordt dit positief gewaardeerd. De vrouw erkent Jezus als profeet, die het levende water geeft. In het gesprek in het Soesterkwartier bleef de vrouw een bedreigend mysterie. In het verhaal van de vrouw bij de bron wordt ze helemaal gekend door Jezus. Hij overtreft Blok en vervult de opgave waarin Blok faalde. Jezus geeft geen oordeel en behoudt het contact wel. Ook weet Jezus wat de behoeften van de vrouw zijn, het doel van het ‘luisteren’. Het lukt Jezus zelfs de vrouw aan zich te binden. Ze bekeert zich, en haalt anderen op om naar Jezus te gaan.

Jezus bezit dus vrouwelijke eigenschappen. Hij doet het beter dan Blok, vanwege deze eigenschappen. Maar dit straalt niet af op vrouwen. Blok wordt door de opbouw van het filmpje met Jezus geassocieerd. Doordat hij dezelfde positie als Jezus inneemt, vallen Jezus en Blok helemaal samen. Het mooie straalt af op Blok.

De vader

Jezus stelt zich helemaal open, zegt Blok. Hij verwijst daarbij naar Filippenzen 2. Hij had de gestalte van God, liet alles los en werd mens. Blok vraagt zich af hoe Jezus zo open kon zijn; hijzelf voelt zich bedreigd. Bij bedreiging is het belangrijk je veilig te weten, zegt Blok. Dit zou het voor pioniers gemakkelijker maken om diepgaande contacten aan te gaan. Oeds vermoedt dat het geheim van Jezus om zich veilig te voelen, de band met de Vader is. Jezus weet dat hij geliefd is door de Vader. “Zo kon Hij open staan voor de ander en zichzelf geven, zelfs ook naar de vijandige ander.” De hulp om te kunnen gaan met een bedreigende, vreemde ander, in het voorbeeld een vrouw, komt dus bij een man vandaan, uit een specifieke ouder-kind relatie, de relatie tussen een vader en een zoon. Vrouwen, als moeders en dochters staan daar buiten. Wij hebben daar geen deel aan, niet aan de intimiteit, en ook niet aan de veronderstelde ‘hoogste’, ‘heiligste’, relatie die er is, die tussen de Vader en de Messias. Ik voelde me in de loop van het filmpje steeds meer in de steek gelaten, buitengesloten van de goede dingen, tot ik er helemaal geen deel meer aan had.

Luisteren naar de vader

Tegen het eind van het filmpje vertelt Blok dat zijn gemeenschap heeft ‘geluisterd’ naar de mensen uit het Soesterkwartier, dat ze hun cultuur en hun ritmes hebben leren kennen en zich daaraan aangepast hebben. Iemand had hen gesuggereerd dat het evangelie gepraktiseerd moest worden, dat het ‘gedaan’ moest worden. Ook trok Blok zich de verwachting aan van een oudere man. Die had hem gezegd dat hij respect had voor mensen die geloven, en ernaar leven. Dit is niet voor niks een oudere man. Die heeft rol van een vader, gespiegeld en verbonden met God de Vader, die veiligheid biedt. Blok en in zijn voetsporen de Buurtkerk, blijven binnen deze veilige band, en de band wordt versterkt door te doen wat de oudere man aanraadt. Het kan best zijn dat degene die suggereerde dat het evangelie vooral gepraktiseerd moest worden, een vrouw is geweest, maar dat wordt niet gezegd.

Het loslaten van het oordeel is een belangrijke stap in het contact met iemand die anders gelooft en denkt dan wij. Blok ervaart de toewending naar de ander als een bekering. “Ik heb meer rust gekregen over mezelf en meer aandacht voor mijn eigen verhaal. Maar ook ben ik meer open gaan staan voor het verhaal van de ander. Het is een bekering tot de ander.” Hij vergelijkt het met de verandering die Petrus onderging toen hij het huis binnenstapte van een gelovige heiden, Cornelius de hoofdman. Hij zag toen dat de Geest van God ook bij de heidenen was, die in tongen spraken en God loofden (Handelingen 10). Door hem ontdekt Petrus dat God ook bij de heidenen is. Deze nieuwe geloofsruimte wordt hem geschonken door een man, die hem uitnodigt in zijn huis. Cornelius schenkt hier het heil. Ook in dit verhaal komt geen vrouw voor die het heil biedt.

De dynamiek van luisteren en uitspreken

In Buurtkerk Soesterkwartier werden de activiteiten en het tijdstip van samenkomst veranderd. De veranderingen gaven de Buurtkerk een nieuw venster op het geloof van de gemeenschap. Maar ik zag eigenlijk alleen praktische veranderingen. Ik mis in de dynamiek van ‘luisteren’ en ‘uitspreken’ het moment waarop de ander die zo anders denkt en vreemd is, ons existentieel kan raken en inspireren. Ik had me kunnen voorstellen dat Blok over het gesprek met de vrouw uit het Soesterkwartier had gezegd: “Wat is het jammer dat ik schrok, dat ik niet geraakt kon worden door haar visies, kon kijken of karma of sterrenbeelden iets voor mijn leven en geloof zouden kunnen betekenen.” Maar dat kan niet in de dynamiek, zoals die in dit filmpje gepresenteerd wordt. In de dynamiek van loslaten en uitspreken geef je de ander ruimte waarop vervolgens ruimte kan ontstaan waarin jij jouw perspectief kan geven en misschien een woord van Jezus. De ander mag zo denken als hij of zij wil, maar jij mag niet denken zoals die niet- christelijke ander. Er is geen ruimte voor dialoog of wederzijdse beïnvloeding. Daar lijkt een verbod op te zijn. Bovendien, bij een vrouw die geholpen wordt, waarbij de pionier als redder aanwezig is, zal die beïnvloeding niet plaatsvinden. Daar wordt vooral op neergekeken. Ongelijkheid en machtsverschil worden niet aangeraakt in deze dynamiek van loslaten en uitspreken.

Chaos en de ander in de theologie

Er is theologie die stereotyperingen opneemt en ze positief inzet, om de stereotypering te boven te komen. Een van de stereotyperingen van de vrouw was: ‘chaotisch’. Er is bijvoorbeeld een manier van denken waarbij niet neergekeken wordt op ‘chaos’, maar die juist als scheppend wordt gezien. Catherine Keller, een procestheoloog, geeft de chaos in Genesis 1 een heel positieve rol. Deze chaos is als een kosmische baarmoeder waar wij onderdeel van uitmaken, met impulsen waaruit de schepping voortgaand ontstaat. Er hoeft niet gesorteerd of geordend. Er hoeft geen verschil gemaakt te worden tussen levend water en aards water, tussen tijdelijkheid en eeuwigheid.

Een andere stereotypering was ‘de vrouw als de ander’. In sommige theologie wordt de ‘ander’, of het ‘andere’ dat we niet kennen, zeer gewaardeerd. Dat is in de theologie die in het spoor gemaakt wordt van Levinas en Derrida. Daarin kan die ander de Messias zijn, of is er sprake van een ‘messiaanse structuur’ die open staat voor ‘het andere’ of ‘de ander’ die op ons toekomt. In deze theologie is die ander niet iets om te doorgronden en te bezitten. In dit spoor van denken is de opgave om dit ‘andere’ of ‘de ander’ niet op te nemen en te begrijpen in ons eigen denksysteem en die te maken zoals wijzelf zijn. En ook om de ander niet als een object te zien, die je gebruikt voor jouw eigen doelen. Het blijkt steeds weer, dat dit niet lukt. Dat is het verdriet in dit denkspoor en tegelijkertijd er is de hoop dat dit ooit wel zal lukken. In deze theologie is het juist ‘de ander’ die onze redding kan zijn. Aanzetten hiertoe zitten in dit filmpje. Niet willen schrikken van de ander, maar die serieus willen nemen. De ervaring ‘bekeerd te zijn tot de ander.’ Het willen ontvangen van heil van vreemden: van de oudere man uit het Soesterkwartier en in het voorbeeld uit Handelingen, van Cornelius de hoofdman. Maar het blijft een fraterniteit: van vaders en zonen, van mannen onder elkaar.

Conclusie

Vrouwen komen in dit filmpje niet voor als dragers en schenkers van de goede dingen in het leven. Ze worden door inhoud en opbouw geassocieerd met met bedreiging, onveiligheid, vreemdheid, hulpeloosheid, irrationaliteit, rommel, aarde, tijdelijkheid en sterfelijkheid. Ze zijn objecten om te begrijpen en te redden, om hen uiteindelijk te binden in een bekering. Je zou kunnen zeggen dat de vrouwen pars pro toto staan voor de hele niet-kerkelijke gemeenschap van Soesterkwartier, die doorgrond moet worden om ze kunnen redden en ze te binden aan de gemeenschap. Het zijn de mannen die het heil bezitten en brengen, in welke vorm dan ook. Ze ordenen, doorgronden, geven het levende water van de eeuwigheid, vinden als zonen veiligheid in de band met de vader, geven als oudere mannen opbouwend advies. Let wel, het is niet uitsluitend dit filmpje of onze kerk waar vrouwen niet in beeld gebracht worden als positieve identificatiefiguren en brengers van het goede leven. Negeren van vrouwen gebeurt zelfs in kringen waar het expliciet beleid is om vrouwen of anderen met weinig macht, aan het woord te laten en in beeld te brengen. Dit laat zien hoe het diep dit verankerd is, in ons allemaal. Het is niet expres. Het gebeurt onbewust.

In de leergemeenschap pioniers wordt gezegd, dat er niet aan theologie gedaan wordt, omdat we daar te breed voor zijn. Dit filmpje laat zien dat dit niet waar is. Het is een heel bepaalde theologie die hier gepresenteerd wordt, die aan alle pioniers als vanzelfsprekend, heilzaam gegeven wordt. Laten we benoemen dat we aan theologie doen en aan welke, anders blijft het ondergronds. Een paar aanbevelingen voor de leergemeenschap. Ten eerste, breng pioniers in contact met theologie, school hen in verschillende manieren van denken over heil, God en mensen. Maak pioniers er bewust van hoe theologie, taal, beelden voor God en heil, uit kunnen sluiten, en draag alternatieven aan. Ten tweede, let bij het maken van leermateriaal voor pioniers op de manier waarop vrouwen in beeld komen in relatie tot het heil. Maak hen uitdrukkelijk tot dragers en verkondigers van het goede leven. Neem dit op in de standaard waaraan materiaal moet voldoen. Ten derde, vrouwen komen er in bijbelverhalen gewoonlijk bekaaid af. Neem de afstand tussen bijbeltekst en de lezer(-es) serieus. Maak verschil tussen de context van de bijbel en de context van nu. Zie het als heilige teksten om op kousenvoeten te benaderen, voorzichtig te openen, niet om plompverloren te hanteren als norm voor nu. Ontwerp materiaal waarin pioniers de bijbel leren lezen met een argwanende en een queer blik. Ten vierde, ga verder met de belangrijke stap die Oeds Blok hier aanbiedt. Deze methode verdiept de ontmoetingen met mensen die heel anders zijn dan wij. Geef nog meer ruimte in het ‘luisteren’. Geef pioniers toestemming om in dialoog te gaan en zich existentieel te laten raken in hun geloof.

Tot slot. Laten we nog eens teruggaan naar wat hier gepasseerd is aan ontmoetingen en verhalen. Wie heeft er nu concreet het goede leven laten zien? Dat is een vrouw, de vrouw bij de bron. Zij is degene die water putte en Jezus te drinken gaf.

De Luizenmoeder

Dat was een verrassende en best wel missionaire wending 😉 in de laatste aflevering van de hit televisieserie De Luizenmoeder. Juf Ank gaat de openbare basisschool De Klimop verruilen voor de christelijke basisschool De Strohalm.

De karakters worden met liefde neergezet, in de serie, maar oh…, vlijmscherp is de kritiek van juf Ank op de ouders van de openbare basisschool die hun kinderen inzetten om hun eigen bodemloze bestaan te fiksen.


Ik was benieuwd waar deze wending naar de christelijke school vandaan kwam. Het bleek dat eerder al geloof een thema was in het oeuvre van Diederik Ebbinge, die samen met Ilse Warringa de serie schreef. Hij maakte en regisseerde een film over een man uit een streng gereformeerd milieu (Matterhorn, 2013). In een interview met Filmtotaal zegt hij over de ontwikkeling van de hoofdpersoon: “Fred laat de dogmatiek voor wat het is, maar hij verlaat het geloof niet. Op die manier vind ik geloof prachtig. Hij is er niemand mee tot last en bevrijdt zichzelf.” Wat Ebbinge zelf van het geloof vindt, wordt hier niet zo duidelijk. Wel als hij praat over zijn gelovige opvoeding.

Ebbinge is christelijk opgevoed. Hij legt in datzelfde interview de nadruk op het niet benauwde en niet dogmatische van zijn opvoeding, die in tegenstelling staat tot de strenge gemeenschap van de hoofdpersoon uit zijn film. “Mijn vader was doopsgezind en mijn moeder vrijzinnig protestants, dus echt de vrijzinnige hoek. Ik heb daar heel veel van meegekregen want het prikkelde mijn fantasie enorm. Achter die vrijzinnigheid zit totaal geen dwang. Er waren vrouwelijke predikanten voordat er zelfs stemrecht voor vrouwen was. Homo’s zijn bij vrijzinnigen nooit een probleem geweest. Zelfs de vraag of God bestaat doet er eigenlijk helemaal niet toe. Het is een filosofische manier van in het leven staan zonder dogmatiek.”

Ebbinge zegt ook: “Je kunt tegenwoordig eigenlijk bijna niet meer zeggen dat je niets tegen het geloof hebt. Dan word je haast gelyncht.” In de serie zijn ze daar niet bang voor.

De monoloog van Juf Ank over haar overstap naar de christelijke school is geheel in lijn met de vrijzinnige gelovige opvoeding van Ebbinge. Het gaat om elkaar dragen, vertrouwen in elkaar, geborgenheid, steun, mogen falen. Besef dat we deel uitmaken van een groter geheel. Juf Ank noemt het een sprookje van geloof, hoop en liefde. Het mooie is dat seculiere kijkers zich hierdoor aangesproken kunnen voelen. Geloof als een sprookje, dat gaat nog wel. God nu ja, dat is moeilijk te begrijpen, maar geborgenheid en steun, dat is een groot verlangen.

De serie raakt ook een andere geloofsligging. De school waar Juf Ank heen gaat, heet ‘De Strohalm.’ Is die naam een knipoog naar ‘Het Gekrookte Riet’, een streng bevindelijk-gereformeerde groep, waar Ebbinga in zijn research voor de Matterhorn vast mee in aanraking is geweest? Een steek naar dogmatisme en benauwd christendom? Misschien. Aan een steek ontkomt niets en niemand in deze serie.

In de naam De Klimop zit de aansporing om op te klimmen. Omhoog moet je, op eigen kracht, aan jezelf overgeleverd. Aan een strohalm kunnen ouders en kinderen zich vasthouden. In de uitdrukking waar de naam vandaan komt, gaat het om de ‘laatste strohalm’. Als we die laatste strohalm niet vastgrijpen, gaan we ten onder, is de suggestie. De school deze naam geven, is een tragikomische overdrijving waarin een diepe overtuiging huist: geloof als laatste hoop op redding.
Tags:

Het Mirjam en Mozes spel

Oh, nu ben ik benieuwd! Morgen gaan Janneke Nijboer en ik het Mirjam en Mozes leiderschaps-spel doen met pioniers uit de protestantse kerk op een teamtraining. Een zelfgemaakt coachings-spel aan de hand van het leven van Mozes en Mirjam. Situaties uit de bijbel, volksverhalen, de Mechilta en de Perkei Avot, toegepast op pionieren. Bij het oefenen van het spel vanochtend, gebeurde er iets wonderlijks.

Een van de spelmomenten is, dat je een dichte kaart pakt met de vraag: “Wat heb ik nodig om de volgende stap te zetten?” Ik kreeg de kaart ‘Juwelen’. Wanneer Mozes alsmaar op de Horeb is en niet terugkomt, wordt aan de vrouwen gevraagd hun juwelen af te geven om het gouden kalf te smeden. De vrouwen deden dat niet. Ze gaven hun juwelen niet af. Ze bleven vertrouwen. De steekwoorden op de kaart gaan over geduld hebben, afwezigheid verdragen, van God, van deelnemers, en om het bieden van vertrouwen aan mensen die er niet meer in geloven.


Toen ik dit allemaal las, herinnerde ik me, dat ik deze kaart van naam veranderd had. Hij heette niet meer ‘Juwelen’, maar ‘Afwezigheid’, en had een andere afbeelding gekregen. Ik had er een andere kaart van gemaakt. De kaart die ik nu getrokken had, hoorde helemaal niet meer in het spel. Die had eruit gemoeten. Ik ging zoeken. Had ik een oude versie van het spel, zat die nieuwe veranderde kaart er wel in? Dat was zo. Beide kaarten zaten in het spel. Het zette mij aan het denken, waarom ik nu juist deze kaart ‘Juwelen’ had gekregen en niet de kaart ‘Afwezigheid’? Had dat misschien iets te maken met mijn probleem waar ik het spel voor speelde? Waarom had ik juist het niet- afgeven-van- juwelen voor een gouden kalf nodig?

Ik herkende het. Vertrouwen, blijven geloven, bleef belangrijk. Maar de kaart zei me ook: ‘Let op, je hebt iets kostbaars, geef dat niet weg. Verkwansel het niet’. Misschien zelfs wel, ‘Let op, jij bent kostbaar, heb je dat wel door?’ Deze zaken had ik nodig in de situatie waar het om ging.

Voor pioniers kan dit belangrijk zijn, op bepaalde momenten in de pioniersreis. Iets kostbaars te hebben of te willen met je plek, beseffen dat je dat niet wilt opgeven voor een doel dat het visioen niet dient, nadenken hoe je daar dan voor kan zorgen. Het besef dat jij kostbaar bent voor God, voor ieder die je ontmoet, voor je team, voor de deelnemers, voor de kerkenraad.

Ik laat beide kaarten in het spel, en geef aan de kaart ‘Juwelen’, deze nieuwe betekenis mee. En ben nu heel benieuwd of iemand dat morgen nodig heeft, net als ik vandaag.

Madonna Del Mare Nostrum

In de Bethelkapel in Den Haag is nu al meer dan 1000 uur onafgebroken een kerkdienst bezig voor Armeens gezin dat hier 9 jaar woont en uitgezet dreigt te worden. Ook is het een pleidooi voor een ruimere toepassing van het kinderpardon voor de 400 gewortelde kinderen. Het gezin verblijft in een inpandige voormalige kosterwoning. Zolang de kerkdienst duurt, valt de vreemdelingendienst niet binnen. Ik ging een aantal uren voor in Bethel, in de nacht. We waren met z’n zessen. De familie sliep. De kerk was stil en ruim.

Voorin de kerk staat een schilderij van Maria: Madonna Del Mare Nostrum. Het is geschonken gedurende het asiel. In die nacht keken we meditatief naar dit beeld van Maria met kind. Maria rijst op uit de zee en is gewikkeld in een gouden nooddeken. Zo eentje als vluchtelingen om zich heen krijgen als ze uit hun bootje op de Middellandse Zee zijn opgepikt. We keken met de vraag, wat zij ons gaf.



Het was de eerste keer dat ik deze Madonna in het echt zag. Het beeld stond er nog niet toen ik er het eerste weekend was. Ik keek.

Het was donker in de kerk. Met gejaagde ogen keek Maria mij aan. Ik schrok ervan, gewend als ik ben aan zoete Maria’s, moederlijke Maria’s, vergevende Maria’s, en ook ongenaakbare, strenge Zwarte Madonna’s. Bijna altijd stijgen ze boven onze ellende uit. Steunen, troosten. Er zijn zelfs Maria’s met een heel wijde mantel, waar iedereen onder schuilen kan.

Maar zo was zij niet. Deze Maria was armer en behoeftiger dan ik. Ik was degene die haar troost moest bieden, een tandenborstel, warme soep, sokjes voor de blote voetjes van het kindje, en toegang tot Europa. “Is dit Maria wel?’, dacht ik. “En wat doe ik mijzelf en de kerkgangers aan, met deze meditatie?” Zo heftig was het.

Het is altijd spannend in de Bethelkapel met het kerkasiel. Zeker in de nacht. Je weet, als de IND het gezin komt ophalen, gebeurt dat ‘s nachts. En toen, terwijl ik keek naar Maria in die nooddeken, gebeurde er iets.

Ik kreeg het koud. Ik kreeg het zo ontzettend koud. En echt, ik had me warm aangekleed, met een dikke trui, tegen de kou van de nacht. Hoe langer ik keek, hoe kouder ik het kreeg. Ik werd zelf Maria in de nooddeken, die daar stond in de zee. De kou die ik voelde kwam als een schok. Koud, nat, eenzaam. Behoeftig.

Ik zat niet meer in de comfortabele positie dat ik hulp bood aan een vreemdeling, aan de ‘ander’ of de ‘Ander’ in de zee, aan de onaanzienlijke, de hongerige waar Jezus over spreekt in het evangelie van Mattheus. Met als opdracht die te voeden, kleden en op te nemen.

Nee, ik was Maria zelf in de zee met een kind op mijn arm. Het was gek. Ik was naar Bethel toegegaan vanuit mijn veilige situatie, met een paspoort in de la, om een aantal uren de kerkdienst te doen. En toen draaide alles om en was ik op dat moment zelf de ‘ander’, de vreemde, die vluchteling. In de zee. Koud was ik, alleen maar koud. Letterlijk. Het was een lichamelijke sensatie. Maar daar stopte het niet mee.

Er borrelde liefde op in mij, zachtheid, warmte. Het kwam ergens uit mijn hart. Het was niet zo dat de kou stopte. Maar die zachtheid was er ook. Die vervulde me en bewoog me. De schittering van de nooddeken werd als goud, liefde, die haar omringt en die tegelijkertijd opwelde in mijn hart. Wat mij gebeurde was geen puur individuele ervaring. Het zit diep in onze traditie verankerd.

Het is een meditatieve beweging, die gaat van afschuw en schrik, naar vereenzelviging: een lichamelijke sensatie van pijn en lijden, die dan weer verandert in liefde. In één grote gebeurtenis.

We zien die bij Franciscus. Eenzaam, vastend op een berg, ziet hij in een visioen een engel die tegelijkertijd Christus is, aan het kruis. Franciscus werd bewogen. Voelde de liefde van Christus voor hem, en voelde ook zijn pijn. Hij vereenzelvigde zich met Jezus. Wist niet meer wat van wie was, en draagt vanaf dan de kruiswonden in zijn eigen lichaam, in zijn handen en voeten en zijn zij. Met als opdracht zich om te vormen tot Christus.

Ook bij Theresa van Avila is deze innerlijke beweging te vinden. In een visioen neemt Christus het kruis van haar rozenkrans in zijn handen. Als ze die van hem terugkrijgt, ziet ze de afgebeelde wonden als vier grote edelstenen, kostbaarder dan diamant: “Ik zag het hout niet meer waarvan het gemaakt was.”

Deze innerlijke meditatieve weg zit in onze traditie, maar hij wordt niet meer onderwezen. Die weg loopt van zien, schrik en afschuw, naar de lichamelijke ervaring van pijn in vereenzelviging, en leidt tot grote liefde. Deze Madonna in haar nooddeken, geeft ons die kennis terug.
Tags: ,

Een nacht in de Bethelkapel



Het was kwart over vijf in de ochtend. We zaten vanaf drie uur ‘s nachts bij elkaar in de Bethelkapel in Den Haag, waar kerkasiel verleend wordt. Ik had al twee keer de zegen gegeven en was daarna weer de dienst opnieuw begonnen met “Wees hier aanwezig, en kom ons bevrijden.” In Bethel is al meer dan drie weken dag en nacht een kerkdienst aan de gang. Dit is om de politiek de kans te geven zich te bezinnen op de uitzetting van Hayarpi en haar familie en om aandacht te vragen voor een ruimere toepassing van het kinderpardon. We waren met z’n vieren. Een paar nachtvlinders waren weggegaan om nog even te slapen en voor de early risers was het nog te vroeg.

We mediteerden op een vers uit psalm 114: “Hij verandert de rots in een bron, hard gesteente in een stroom van water.” Het was onze derde meditatie. In iedere dienst zat één. We waren vijf minuten stil en hielden dan een ronde voor wie een ervaring wilde delen.

Vierend waken in de nacht is intens. Rond vijven voel je de nacht verschuiven naar de morgen. Er komt meer haast. Meer urgentie.

Ik voelde gedurende die meditatie dat ik van een harde rots veranderde in een stroom van levend water en de IND en de politiek gingen er in mee. Toen we ervaringen gingen delen, schoof mijn buurman het Liedboek naar me toe: “Dit past hier precies bij”. Het was: “De steppe zal bloeien.”

Dat hele grote van ons geloof, dat alles goed zal komen voor iedereen. Dat zit in dit lied. Iedereen komt thuis in het lied. En de doden gaan leven. Je zingt het alleen met Pasen. Anders zing je het kapot. En met een volle kerk, uit volle borst. Hier waren wij in die grote kerk, we hielden de wacht en de hoop levend, met z’n vieren.

En we zongen het. En het klonk in de hoogte en het klonk in de laagte. De tonen vlogen naar buiten, naar de slapende familie boven, langs de lichtjes voor in de kerk, met zoveel hoop ontstoken onder de Madonna della Nostra, die oprijst uit de zee met haar kind op de arm en haar nooddeken om. En de rotsen gingen open.

Zo was dat in die nacht.
Tags:

Kerkasiel familie Tamrazyan Bethel Den Haag


Eerst ging er een luikje open. Door tralies heen werd onderzoekend gekeken: Wie zijn jullie? Opluchting, we waren voorgangers, niet de IND. Het is menens in de Bethelkerk Den Haag.

Sinds vrijdagmiddag 26 oktober wordt er doorlopend een kerkdienst gehouden. Kerkasiel voor de familie Tamrazyan. Hun drie kinderen die geworteld zijn in Nederland, komen toch niet in aanmerking voor het kinderpardon. Rust voor de familie, opnieuw beraad en aandacht voor het kinderpardon. Dat is de intentie.

Wil je meedoen aan deze enorme onderneming, een tijdje in de kerk zitten? Meebidden en zingen? Dag en nacht ben je welkom, ook als je niks met de kerk hebt. Bondgenootschap. Thomas Schenkestraat 30, Den Haag. Het luikje gaat open en dan de deur!
Tags:

De pionier en de dominee als klein ondernemertje

20181007_141718.jpg

Ik ging laatst naar een lezing van een beroemde leraar in het boeddhisme. Ze sprak op de “Inner Peace Conference”, een conferentie in Amsterdam. Daar liep ik tegen een interessante muur op, die relevant is voor ons als pioniers, dominees en kerkelijk werkers. De lezing was van Lama Tsultrim Allione, een boeddhistische vrouwelijke leraar uit de VS. Ik weet dat ze haar best doet om gemeenschappen te stichten in verschillende landen. Dat doen wij ook in de pioniersbeweging, dus ik was benieuwd hoe dat ging. Ik sprak vrouwen aan die een tafeltje hadden met folders en boeken en vroeg of ze een gemeenschap hadden. Wat bleek, het enige wat er was, waren cursussen! Niks gemeenschap. Nou, ik vond dat zo mager en heel erg sneu voor ze. Dat ze niets anders hadden om bij elkaar te komen dan een rottige cursus.

Het waren cursussen die deze vrouwen zelf gaven. Ze waren opgeleid door Lama Tsultrim, en in hun cursussen onderwezen ze een bepaalde oefening van haar, gestoeld op de oude Tibetaans boeddhistische chödceremonie, gecontextualiseerd voor het westen. De vrouw met wie ik sprak, wees me op de emaillijst van hun cursussen. Ik was misschien wel geïnteresseerd. Ik zei dat ik die oefening vaak deed en goed kende. “Veel mensen kennen hem.” zei ze, “maar dan kan een opfrisser heel goed zijn.” Ik vond daar wel wat inzitten, maar toen bleken hun cursussen een weekend lang te duren. Er waren wel oefenavonden, maar daar mocht je pas aan meedoen als je hun weekendcursus had gevolgd. “Nou,” zei ik toen, “voor mij is dat te duur”. Ik verplaatste me vervolgens naar de zijkant van de tafel, want er wilde misschien iemand anders met haar spreken. Ik was immers geen potentiele afnemer meer.

Het kon nog even. “Doen jullie ook Chöd?” vroeg ik. Chöd is die oude boeddhistische ceremonie, die Lama Tsultrim doorgeeft, en die ik ook beoefen, maar dan een variant. Dit deden ze inderdaad, in kleine groepjes, min of meer in het geheim. Dat is zo de gewoonte. Ik vertelde haar over de chödceremonies die ik samen met een vriend deed voor mensen thuis. Ik zei dat we dit op donatiebasis deden. “Oh, echt zoals het hoort in de boeddhistische traditie”, zei ze. Ik merkte dat ze zich schuldig voelde, zij vroeg dik geld voor haar cursussen. Werken op donatie is een manier om het onderwijs voor iedereen bereikbaar te houden en daarmee ook de verlichting. Dat is essentieel, want dat is waar je het voor doet, dat iedereen op dat punt belandt. Ik vertelde dat we de ceremonie niet in het Tibetaans, maar in het Nederlands uitvoerden, voor maximale toegang. Toen stopte de conversatie. Ik stuitte op een muur. Er was geen enkele interesse. Ik bedoel, hoe interessant is dat. Je ontmoet iemand die tot een duo behoort die chödceremonies voor mensen uitvoert. Dat is uniek in Nederland. En dan ook nog in het Nederlands, dat is ook uniek, en dan ben je niet geïnteresseerd!

Ze wilde mogelijk het nare gevoel van schaamte vermijden, en mij dus ook. En er zal ook enige rivaliteit zijn tussen de verschillende chödtradities. Maar haar gebrek aan interesse kwam denk ik vooral door het verdienmodel van ‘het kleine ondernemertje’. Ze moest geld verdienen aan mij. En ik nam niet af. Dus was ze niet geïnteresseerd. Ik was misschien zelfs wel een concurrent. Ondernemerschap, waarbij je direct betaald wordt door de klant die je dienst afneemt, betekent een rem op uitwisseling, op contact. Je kijkt alleen naar het directe korte termijn belang van het inkomen dat je moet verwerven. En zo zal, dat doel van verlichting voor ieder in hun onderricht een archaïsch artefact worden en uit het zicht verdwijnen. Tot er natuurlijk iemand opstaat en dat weer in het licht zet. Daarom denk ik, is er ook geen gemeenschap ontstaan. Daar hebben ze geen belang bij.

Predikanten en kerkelijk werkers worden op dit moment niet per handeling betaald. Ze ontvangen niet per dienst direct geld van hun afnemers. Ze krijgen een som geld waar ze alles voor doen. Hun inkomen hangt niet af van hun succes en de hoeveelheid kerkgangers, dopelingen of leden die ze aanbrengen. Probleem alleen is, dat er geen geld meer is in de kerk. En dat dit toch ergens vandaan moet komen. Er wordt daarom binnen Op Goed Gerucht, bij de opleiding tot predikant en binnen de pioniersgemeenschap wel geopperd dat het goed zou zijn wanneer predikanten en pioniers de boer op gaan om geld te verdienen met het evangelie en de vaardigheden die zij ontwikkeld hebben in hun werk en opleiding. Bijvoorbeeld als coach, inspirerend spreker of als begeleider van christelijke ceremonies voor mensen buiten de kerk. Pioniers, predikanten en kerkelijk werkers worden dan kleine ondernemertjes, zoals de vrouwen die ik ontmoette. Voor sommige pioniersplekken zou het een geschikte vorm kunnen zijn om financieel zelfstandig te worden. Gemeentepredikanten zouden hiermee naast hun steeds kleinere aanstelling, geld kunnen verdienen. Op Goed Gerucht heeft er afgelopen juni een studiedag aan gewijd en er wordt nu een haalbaarheidsonderzoek gedaan of het werkbaar zou kunnen zijn voor predikanten en kerkelijk werkers. Bij de Remonstranten proberen ze dit nu uit in ‘vernieuwingsplekken’. Er worden vernieuwingspredikanten aangesteld die drie jaar tijd krijgen om naast hun werk in de gemeente nieuwe betrokkenen te werven en een stroom van geld op gang te brengen met hun initiatieven.

Dit ondernemerschap heeft dus nadelen. Predikanten worden elkaars concurrenten. Er is geen interesse meer in wat andere pastores doen. Inzet voor een gemeenschap die verder reikt dan noodzakelijk voor het inkomen, ontbreekt. Er is alleen aandacht voor iemand die een klant is. Een doel dat niet in het belang is van de afnemer, zoals de nood in de wereld, de nood direct om ons heen, of een politieke stellingname die tegen het belang van de afnemers ingaat, verdwijnt uit het oog. Het evangelie kan niet meer vrij verkondigd worden, in al zijn heilzame en profetische gestalten. De vrijheid van Christus en van het woord is niet meer gewaarborgd. Er is alleen aandacht voor het korte termijnbelang. Het langere termijnbelang verdwijnt.

Als pionier in Breda ben ik zelf in die val van de korte termijn gelopen. Ik was daar weliswaar geen kleine ondernemer, afhankelijk van klanten, maar ik was wel afhankelijk van deelnemersaantallen. Het was een pioniersplek van een plaatselijke gemeente en het voortbestaan was bedreigd. Iemand van de buiten de kerk, bood aan workshops te geven. Ik schatte in dat die weinig deelnemers zouden trekken. Voor de korte termijn leek het een slimme keuze om niet in te gaan op het aanbod; ik wilde veel deelnemers trekken. Maar voor de lange termijn was het geen goede keuze. Diegene had zich gezien gevoeld en de kans was groot geweest dat die meer betrokken was geraakt bij de pioniersplek, en daar gaat het om. Ik heb nog altijd spijt als ik er aan denk.

Al in de vroege kerk was er discussie of voorgangers direct betaald moesten worden door individuele gemeenteleden of dat ze een som geld moesten krijgen uit de hele gemeente. Dit laatste heeft de voorkeur gekregen. Maar het is dus al een hele oude discussie.

Het krachtvoorwerp


Ik maakte een krachtvoorwerp. En kwam uit op de lofzang op Prajnaparamita uit de chödceremonie.

Het was in een godinnentempel. Daar doe ik mee aan een inspiratiegroep die eens in de maand bij elkaar komt. De priesteres van de tempel had een klein oventje gekocht. En daarom gingen we van fimoklei krachtvoorwerpen maken, vormen, hangers voor aan een ketting. Het moest een half uur in de oven. Het kon diezelfde avond nog mee naar huis. We maakten dat voorwerp voor elkaar. Welke vorm dat zou zijn, lieten we opkomen door koffiedik te kijken. In koffiedik zijn altijd van allerlei figuren te zien. We dronken Turkse koffie, aten cake uit de nieuwe oven, stukjes Tony Chocolony knisperchocola en herfstbonbons, en hadden veel plezier.

Ik duidde het koffiedik in het kopje van iemand die van flinke discussies houdt. Die worden vooral op Facebook gevoerd. Ik schrik van die discussies als ik door mijn Facebookfeed scroll. Ze benemen me de adem, woede springt over, maar degene van wie ik het kopje las, heeft er plezier in. In het koffiedik zag ik grote kracht oprijzen, als een vulkaan. En ik zag ook vechtende figuren. Zijzelf zag die ook. Ik dacht, ik maak een vulkaan. Maar die mislukte. Het werd een raar driehoekje.

Fimoklei is hard, dat moet je een tijdje kneden. Eerder op de avond had ik zwart en wit door elkaar gemengd en er een bolletje van gemaakt. Je zag het wit en het zwart nog als aparte kleuren. Ik nam dat bolletje voor een nieuwe poging. Ik drukte het plat en het werd een rond schijfje. In het spel van zwart en wit in de ronde schijf was een soort vulkaan te zien. Niks meer aan doen, dacht ik. De vrouw voor wie het was, zag in het zwart en het wit haar Facebookdiscussies. Het debat waar ze van houdt, kost haar ook wat. Mensen ontvrienden haar of worden onredelijk. Toen ik vroeg wat de kracht van dit voorwerp voor haar was, zei ze: “Mezelf zijn, zoals ik ben.” Zij heeft een missie om standpunten met argumenten onderbouwd de wereld in te brengen, mensen daarmee te informeren en te overtuigen. Daar doet ze het voor.

Later dacht ik, ik heb het voorwerp weliswaar voor haar gemaakt, maar is het niet ook een krachtvoorwerp voor mij? Je kunt van alles in het koffiedik zien; het is een multi-interpretabel goedje. Ik was degene die de vulkaan in haar kopje zag en vechtende figuren. En ik ben het ook die schrikt wanneer ik door mijn feed scroll en die stevige discussies tegenkom. Wat is dan de kracht van dit voorwerp voor mij?

Aan het einde van de chödceremonie zingen we een lofzang op Pranjaparamita, de moeder van alle boeddha’s en ook die van ons. We danken haar dat ze ons ‘aardse dingen’ geeft die we nodig hebben. Die aardse dingen zijn zaken die vreugde geven en ook dingen die ons pijn doen. Door Chöd te beoefenen, gaan we ervaren dat die beide zaken eender zijn in ons, de vreugde en de pijn, de woede en de liefde. We bidden daarvoor in die lofzang, met de woorden: “dat de pijn en vreugde in mij zijn als eender, en dat ik zo het pad voltooi”. Dat je ze tegelijk ervaart. Allebei, in één teug! Bam! Het zwarte en het witte door elkaar, gevat in die platte ronde schijf, drukt dat uit.

No worries dus wanneer de vulkaan van boosheid in mij oprijst, bij het scrollen door mijn Facebookfeed, en ook op andere momenten. Laat vreugde en bliss mijn deel zijn wanneer mijn adem stokt en woede mij vervult. Daar herinnert dit krachtvoorwerp mij aan.
Tags:

Samen

Er waren 500 vrouwen op het Lorelei vrouwenfestival waar ik vrijwilliger was, en waar ik ook chöd beoefende. De tenten stonden hutje aan mutje. Ik wist steeds niet zo goed waar ik kon gaan zitten om niemand te storen. Bel en trom zijn doordringend. Toen ik op een avond op een leeg veld beoefende, kwamen er een paar geschrokken vrouwen met zaklantaarns aanlopen van een naburig veld, 200 meter verderop, om uit te vogelen waar dat heldere belgeluid toch vandaan kwam. Ze vreesden een windorgel dat de hele nacht geluid zou maken en hen uit de slaap zou houden.

Ik beoefende die week voor doorstroming, vooral voor de doorstroming in de toiletblokken, waar ik verantwoordelijk voor was als vrijwilliger. Maar ja, wanneer moest ik dat doen bij de toiletten? Tijdens de workshops was het rustig op de velden, maar niet iedereen ging naar alle workshops. De workshops op Lorelei roepen veel op; deelneemsters hebben hun rust nodig. Wie weet zou er iemand met hoofdpijn in haar tentje liggen, of ziek zijn. De schatten van medevrijwilligers vonden het geen probleem, ze vonden dat ik prima tussen al die tenten in kon beoefenen, zo wie zo. Maar ja.

In Chöd werk je met je angsten, met alles waar je tegenop loopt. Ik liep tegen de angst op te storen met mijn ceremonie. Ik was ook bang dat ze me raar zouden vinden: gek hoedje op mijn hoofd, dijbeentrompetje, gestreept kleedje om. Nogal exotisch allemaal. Maar het gevoel te storen was het sterkste.

Ik besloot als dappere yogini mijn angst lief te hebben en tijdens de middagpauze in vol ornaat met domra op mijn hoofd op de T-splitsing te gaan zitten. Die was op steenworp afstand van twee velden met veel slaaptenten, en een plek waar veel mensen langskwamen. Meteen toen ik het vertelde, sloot zich iemand aan! Een medevrijwilliger ging meespelen met haar mondharp!! Het nam een heel andere draai.


Ze kreeg het benodigde onderricht om mee te mogen spelen en de mantra’s te chanten. We zaten in de zon op het gras. Er gebeurt zoveel wonderlijks op Lorelei, niemand vond het gek. Ik zong. Peggy speelde op haar harp. Het klonk prachtig. De harp zoemde speels rondom het stabiele ritme van bel en trom. De voorbijgangsters ontvingen ons mededogen. Ook de vrouwen, die vlak bij ons op het pad ceremonieel hout aan het stapelen waren, voor het vuurspringen ’s avonds, kregen mededogen toegezoemd, gezongen en gechant. En het hout voor het vuur, de toiletblokken en de borrelende buizen in de wc’s, de tenten, het healingveld, de verwenmarkt en alle vrouwen die er waren. Het was een blessing om te doen samen. De vuurdraak die later in de week verscheen op die plek, was er vast ook dankzij ons!
Tags:

Chöd - Alleen in het donker, brrrrrrrrr

Als je de Tibetaanse Chöd beoefent, schenk je aandacht aan je angst. Je omarmt die, zodat je ontdekt dat die geen grond heeft. Letterlijk zing je in de ceremonie: “Zegen ons angst te voeren als het Pad”. Je mag dus bang zijn, en je angst zelfs groter maken, zodat je die kunt zien en voeden en je uiteindelijk de opluchting van het mededogen zal voelen, angst en liefde als één en hetzelfde.

Yogi’s en yogini’s in Tibet trokken van enge plaats naar enge plaats, bijvoorbeeld langs crematievelden, waar ze dan in hun eentje gingen zitten beoefenen, liefst diep in de nacht. Die plekken ervoeren ze als zegenrijk, juist omdat ze eng waren. Ze gaven enge plekken aan elkaar door, zoals reizende jongeren in hostels elkaar hun mooie tochten aanraden. Ik had nog nooit in mijn eentje buiten in het donker beoefend. Van de zomer heb ik dat voor het eerst gedaan.

Het was op vrouwenfestival Lorelei, waar ik vrijwilliger was, en de de wc's schoonmmaakte op het terrein van De Banken Zeewolde. Toen er nog geen deelneemsters waren, beoefende ik op een avond op een van de velden. De reden dat ik dat op die plek deed, was aandacht voor een verstopte wc. Chöd doe je om blokkades op te heffen, en een verstopte wc is een blokkade. Het was een immens groot veld waar ik zat, met witte, lege workshoptenten. Akelig verlaten. Het was bijna donker toen ik begon en het werd steeds donkerder. Het licht in de wc's knipte tijdens de beoefening automatisch aan. Ik had een hoofdlamp mee om de tekst te lezen.

20180819_205242.jpg

Het schoot door me heen dat ik aangevallen kon worden, aangerand, meegesleept naar zo’n lege tent en verkracht, ja misschien zelfs wel gedood. Want wat is er leuker om dat op een vrouwenfestival te doen, waar vrouwen zich veilig wanen.

Toen ik halverwege de ceremonie was, kwamen er geluiden uit het toiletblok waar ik vlakbij zat. De enge man? Spoken gerommel, omdat er door mijn beoefening van alles in gang werd gezet? Een dier? De boswachter die kwam kijken naar het toilet? Of Ellis Kersten, de vrijwilligster, die ik uit mijn ooghoek in de verte langs had zien fietsen? Het ging allemaal door mij heen.

Daar alleen buiten, had ik momenten waarop ik bang was m’n leven te verliezen. Iets wat ik onmiddellijk verwierp als irreëel, maar wel gevoeld had. Omgaan met de angst om te sterven, daar mee dealen, is de diepste laag in de chödbeoefening. Daar maakte ik iets van mee, op die avond en op andere avonden op dat festival, in mijn eentje in het donker.
Tags: ,

Een intuïtief legpatroon voor jezelf met kaarten door cliënten getrokken



Een kaart die een cliënt trekt, heeft vaak ook iets te zeggen over jou. Ook voor jou kan die kaart spiegel zijn van iets uit je leven. Op de ‘Dag van de tarot’ op 8 juli in Breda geven Els Maasson en ik daar een workshop over. We gaan oefenen in tweetallen waarbij we één kaart trekken en kijken hoe die op elk van beiden van toepassing is. Ik heb naar meer vormen gezocht van spiegeling voor onszelf, met kaarten door cliënten getrokken. In het volgende stuk heb ik uitgeprobeerd of zulke kaarten ook in een legpatroon zinnig zijn.

Gisteren gaf ik korte consulten van 1 kaart in de pauzes van een studiedag. ’s Avonds heb ik de kaarten die getrokken waren, uit het spel gehaald. Het waren zes kaarten, twee ervan waren twee keer getrokken. Ik ben net een project gestart en mijn vraag was hoe dat op de grond te zetten.

Ik had die dag gewerkt met een orakelspel rond Mozes en Mirjam. Dat zijn figuren uit de bijbel met een leiderschapsrol, die van alles meemaken, te vergelijken met wat wij beleven. De drieëndertig kaarten uit het spel zijn geïnspireerd door bijbelverhalen en andere oude geschriften.

Ik heb de zes kaarten geschud en ze omgekeerd op intuïtie in een patroon gelegd, zoals ik dacht dat ze moesten liggen. Toen ik de kaarten omdraaide, zag ik er een tent in. Een tent begrensd door vier zijden van kaarten. Midden in de tent was de plaats voor mijzelf, om te zitten. Daar lag een kaart. Elke kaart had me wat te zeggen. Maar de kaart in het midden, verraste me het meest. Over die kaart schrijf ik hier. In het midden lag de kaart van het ‘beloofde land’.

Het grote verhaal van Mozes en Mirjam is dat zij met een heel volk op weg gaan naar een land waar het goed leven is. Het ‘beloofde land’ is een land met rijke oogsten, druipende honing en grote, zoete druiventrossen. Daar is plek voor zieken, wezen, weduwen, en vreemden. De kaart van het beloofde land representeert in het spel je droom en de richting die je uit wil. Dit land waar het goed leven is, is voor mij altijd iets wat in de toekomst is, in de verte, in de mist. En dat eigenlijk nooit bereikt zal worden. In mijn idee hoorde die kaart ergens aan de rand van de tafel te liggen waarop de kaarten lagen, ver weg van mij.

Maar de kaart van het beloofde land lag niet ver weg, was niet onbereikbaar, hij lag in het midden van de tent, op de plek waar ik zat. Dit zei me een heleboel over mijn vraag, hoe het project waar ik mee begonnen ben, op de grond te zetten. Het zei me met verwondering te werk te gaan. En vanuit een gevoel van overvloed, van welkom zijn en van ontspanning. Het werd me duidelijk dat dit een zoet project is, van genot en plezier. En dat iedereen die ik tegenkom en waar ik mee spreek, ook wie ik vreemd vind, mij iets te geven heeft en ik aan hen. Dat het beloofde land er eigenlijk al is, als ik het zo aanpak. En dat het daarom gaat in het project.

Het bood me inzicht, dit legpatroon met kaarten door anderen getrokken. Hoe doe je dit? Op een rijtje:

1. Pak de getrokken kaarten uit je spel. Als dit teveel kaarten zijn voor een legpatroon, kies dan de kaarten die meerdere keren getrokken zijn. Die hebben je het meest te zeggen.
2. Schud de kaarten, en leg ze intuïtief omgekeerd neer in een patroon.
3. Bij mij werkte het goed om de posities in het patroon niet te benoemen. Maar wil je ondubbelzinnige duidelijkheid, dan helpt het om dat wel te doen. Denk dan aan: fundament, doel, hulp, verleden, obstakel, verlangen, angst, talent, enz.
4. Keer de kaarten om en duid ze.
5. Sluit af met je aandacht te richten op de mensen die de kaarten getrokken hebben in jouw consulten en jou dit inzicht geboden hebben. Dank hen.

Chöd pelgrimage

Ons kralensnoer van knekelplaatsen. Nog 100 te bezoeken. Afgelopen week gaven we ceremonies in de duinen bij Overveen. Tijdens de tweede wereldoorlog werden de voor burgers ontoegankelijke duinen gebruikt voor het executeren van mensen en werden duinvalleien massagraven voor doden uit allerlei gevangenissen in Nederland. Al in mei 1945 werden deze graven gevonden. Het grootste bevatte 199 doden, het kleinste 1, Hannie Schaft. Dit hele duingebied is, zoals de kunstenaar Armando dat noemde, een "schuldig landschap".



Wij zijn bezig aan een Chöd pelgrimage langs dergelijke plekken. Geschonden plekken, plekken van schaamte, plekken van angst, plekken van sterfte door mensenhand. Wat blijft is de liefde, de deernis. We luisteren naar de teksten die we zelf zingen: een roep om de Moeder, een beroep op goede krachten, een hoop op zegen. We komen met lege handen en delen onze overvloed, onze zo moeizaam verkregen wijsheids-honing.
Tags:

Preek voor vierde Advent, over een kerstreclame van Plus, Johannes en Jezus


Er zijn een heleboel legenden rond de geboorte van Jezus. Over een vogel, die het kindje in slaapt zingt in de stal. Over een spin die een web weeft voor de ingang van een grot, zodat de soldaten van Herodes die Jezus zoeken, hem niet zullen ontdekken.

Er zijn ook zulke legenden over Johannes. Ook naar hem zochten de soldaten van Herodes. Zijn geboorte was wonderlijk. Zijn moeder Elisabeth was te oud geweest om een kind te krijgen, dus Johannes zou een bijzonder kind kunnen zijn, een bedreiging voor em. Toen Elisabeth hoorde dat Herodes haar zoon zocht, vluchtte ze met hem naar de bergen. Toen ze hoog in de bergen voor een grote rots stond, riep ze: “Berg van God, alsjeblieft, neem deze moeder en haar kind in je op.” Haar stem weerkaatste tussen de rotsen. En in de stilte die volgde gebeurde het. De rots opende zich en nam moeder en kind in zich op. Dat hoop je toch, voor alle kinderen in deze wereld, dat wanneer de moeder te uitgeput is om te troosten, er vogels zijn die voor hen zingen, dat een web van een spin hen verbergt als ze moeten vluchten en dat er een rots is die zich opent en hen binnenlaat als ze achtervolgt worden. Dat zo de hele schepping van God meewerkt aan het brengen van vrede. In een groots en kosmisch gebeuren.

Diepe en grote verlangens komen op als het zo donker is buiten als nu, en het licht ver weg. Naar hoop en vrede. Naar dat blinden weer kunnen zien, doven weer kunnen horen en doden weer leven. Naar dat Christuskind, dat dit allemaal vertegenwoordigt.

Er is een gewaagde reclame op tv van supermarkt Plus, dat zulke grote verlangens laat zien. Dat gaat over een meisje met gescheiden ouders. Ze woont een deel van de week bij haar vader en een deel van de week bij jaar moeder. Met haar knuffel gaat ze heen en weer. Je ziet haar in de auto van haar vader stappen, zwaaiend naar haar moeder. Je ziet haar in zijn flat een armetierig kerstboompje optuigen. Je ziet haar terugkomen bij haar moeder, en daar een kerstboom opzetten, maar dan een hele grote, en de nieuwe partner van haar moeder helpt mee. Zo gaat ze heen en weer tussen haar moeder en haar allenige vader. Als het bijna kerst is laat ze een kadootje achter bij haar vader, onder het armtierige kerstboompje. In het pakje zit een gourmetpannetje uit het huis van haar moeder. En met dat pannetje stapt de vader met kerstmis het huis van de moeder binnen en krijgt hij een plaats naast een stralende dochter.

Een diep verlangen spreekt hier uit, van kinderen met gescheiden ouders, de ouders bij elkaar, zonder ruzie. Een diep verlangen ook van ons allemaal, naar harmonie, naar samen. Het is een harmonie waarin je allerlei angels en stekels vermoedt, met pijnlijke verlegenheden en verdriet. Dappere familie die dit aandurft, de nieuwe partner en de gescheiden vader samen aan tafel. Dat kan lang niet altijd. En dat kan je juist zo voelen met kerst. De conflicten die er zijn in je familie, soms onderhuids, soms luid en duidelijk en soms doordat je geen contact meer kunt hebben.

Johannes en Jezus vormen een groot contrast. Het is mooi dat Johannes centraal staat, op dag van de heilige nacht, waarin de geboorte van Christus gevierd wordt. Johannes is zo heel anders dan dat kind in de kribbe, dat zo zoet en weerloos is. Johannes is stoer en groot. Hij draagt een kamelenharen mantel, vast veel en vaak en als hij eet, eet hij sprinkhanen en wilde honing. Ver weg van de mensen woont hij, alleen in de woestijn.

Johannes roept op tot inkeer. Mensen komen naar hem toe in de woestijn en vragen wat ze moeten doen. Tegen soldaten zegt hij, dat ze niemand moeten afpersen. Tegen de belastingambtenaren dat ze niet meer moeten geld moeten vragen dan ze is opgedragen, en alle mensen die te eten hebben, roept hij op dat te delen. Johannes wil dat mensen anders gaan leven.

Als profeet die oproept tot inkeer staat Johannes voor ons, in zijn ruwe kamelenharen mantel. Hij laat ons het licht zien, hoe het wel zou kunnen zijn. Met z’n allen aan tafel. Geen oorlogen. Niemand die hoeft te vluchten.
Het gekke is, hoe meer wij in contact komen met het licht, met hoe mooi en goed het zou kunnen zijn, hoe meer we het donker zien, wat moeilijk is en helemaal niet gaat. Dingen die we zo graag anders zouden willen, al kunnen we er vaak helemaal niks aan veranderen. Zo van: “Ah ja, dat had ik graag gewild deze kerst, dat mijn dochter kwam, dat we samen zouden zijn.” Of: “dat ik fijn rond de tafel kon zitten met de hele familie, de lam bij de leeuw.” Johannes zegt, ziet dat, erken dat. Laat het er zijn: de verlangens, het gemis, de boosheid om alles wat er niet is, en misschien wel nooit meer, dan geeft dat ruimte. Dat geldt ook voor onze uitvallen, onze geniepigheid, momenten dat we onze mond hielden, terwijl we hadden moeten spreken. Als je die dingen durft te zien en erkennen: “ja, dat is zo,” dan geeft dat opluchting. Dat is de weg van inkeer, de weg van Johannes.

Je kunt die weg alleen gaan als het je gegeven is je door verlangen te laten raken, als je het licht kunt voelen. Dat lukt niet iedereen. We lazen vanmorgen in het evangelie over mensen die zich niet kunnen laten raken. Zo teleurgesteld door wat het leven hen gaf, dat ze nergens meer in geloven. Er staat: wanneer je voor hen op een fluit speelt, willen ze niet dansen, wanneer je een klaaglied zingt, willen ze niet rouwen. Afgestompt zijn ze. Ze willen Johannes niet omdat hij niks eet en drinkt, en wie weet van een demon bezeten is. Jezus willen ze ook niet, omdat hij teveel eet, dronken is en ook nog eens een vriend van tollenaars en zondaars. Ze genieten niet. Ze rouwen niet. Ze geloven nergens meer in.

Het mooie van Johannes dat hij blijft roepen en wenken en wijzen naar het licht. Hij blijft daar staan in zijn kamelenharen mantel. En brengt ons in contact met wat we anders zouden willen in ons leven, met wat we liever anders gedaan zouden hebben, met ons verdriet en berouw, met ons diepe, diepe verlangen naar eenheid en harmonie. Op die manier wijst hij de weg. We hebben Johannes nodig om Kerstmis te kunnen beleven. Hij effent de weg, verwijdert stenen en obstakels voor de wijsheid en het licht. Jezus en Johannes kunnen niet zonder elkaar.

Jezus zet zichzelf helemaal in de traditie van Johannes. Hij ziet Johannes als Elia waarvan de profeten spraken, dat hij terug zou komen. Johannes, op zijn beurt wijst naar Jezus, als de Messias, als degene die verwacht wordt. Voordat Johannes en Jezus geboren worden ontmoeten ze elkaar al, in de buiken van de zwangere Elisabeth en Maria. Johannes springt dan op van vreugde. Herkenning, verwantschap.

Waar is dat kind dan concreet, in ons leven? Waarin kunnen we het licht van dit kind herkennen? Het is er aan die tafel uit de reclame met de gescheiden vader en moeder, hun dochter en die nieuwe partner, met alle ongemakkelijkheid die er bij hoort. Het is er in de pijn van weer niet als familie bij elkaar. Het kerstkind is allang beneden als je morgen naar beneden komt om aan de ontbijttafel te zitten. Het is er in je verdriet dat je zacht maakt voor jezelf.

Johannes wijst het je. Hij effent de weg. Zodat dat kind, zacht en teer de deuren opent van je hart en daarin binnentreedt.

Amen

Gelezen: Jesaja 62:8-12; Mattheus 11:2-19.
In de Lichtkring, PKN Hoofddorp, 24 december 2017

St. Alfonsus de’Liguori (1696-1787)

1 augustus Paco Guzman 9039670734_8f589b352c_b.jpg

Bezin je in de maand augustus met de heiligen: down to earth en spiritueel. Elke dag heeft een eigen heilige. Trek een tarot of orakelkaart, of laat je verassen door de vraag.

St. Alfonsus de’Liguori is gezien aan het sterfbed van paus Clemens XIV, terwijl hij tegelijkertijd in zijn kloostercel was, vier dagreizen bij de paus vandaan. Dat is bilocatie! Het speelde een grote rol in zijn heiligverklaring.

Vraag voor een kaart: Op welke tweede plek ben ik aanwezig op dit moment?

Bloeiende staf

Het is vandaag de feestdag van St. Fabianus (250). Hij ging als boer naar de stad om zijn waren te verkopen. Hij was paus, toen hij die nacht ging slapen. Vandaag is de inauguratie van Trump. Het doet me denken aan het moment dat we wakker werden en Trump gekozen bleek als president, tegen alle verwachtingen in. Een wonderlijk samenvallen. Maar daar houdt de vergelijking op. Er was een pausverkiezing op de dag waarop Fabianus nietsvermoedend naar de stad was gegaan. Volgens de legende streek er een duif op zijn hoofd neer. Dat was het teken: St. Fabianus was ‘aangeraakt door God’ en werd tot paus verkozen.

Vraag om de kaart bij te trekken: Wanneer wordt/ben/voel ik mij aangeraakt door God/spirit/het goddelijke?


De kaart die ik trek als antwoord op de kaart is die Servant of the Holy Rood, Jozef van Arimathea. De rijke zakenman met de tuin die zorgde voor het graf van Jezus. Volgens de Arthurlegenden bracht hij de graal naar Engeland. De kaart correspondeert met de ridder van staven in de traditionele tarot. Toen Jozef in Glastonbury kwam en zijn staf van een meidoorntak even neerzette om te rusten ging die wortelen. En dat vind ik zo mooi. Een staf die onmiddellijk wortel schiet en gaat bloeien. Hij doet denken aan de staf van Aaron in het paleis van de farao in Egypte, die veranderde in een slang om de macht van God te laten zien, zodat de farao het volk Israël zou laten gaan. Op de tarotkaart bloeit de staf. En springt van enthousiasme en vurige wil uit het kader.

Aangeraakt door God, wanneer en hoe, dat blijft een geheim. Maar ik heb ook een staf. Dit is hem: