Wat brengt de beoefening van Chöd?

Chöd is een boeddhistische ceremonie uit Tibet. Ontwikkeld in de elfde eeuw door Machig Labdrön, een yogini en een moeder. In de chöd ceremonie geef je je lichaam aan ‘demonen’, je angsten. Je dient het op als feestelijke maaltijd, in een visualisatie. Ondertussen zing je meeslepende melodieën, bespeel je een trommel, klingel je met een bel en blaas je af en toe op een trompetje. Wat levert dit op?

20190304_202527.jpg

Ik beoefen Chöd op mijn zolderkamertje in Hoofddorp. In Tibet wordt de Chöd-ceremonie vaak op crematieplaatsen gegeven. Op berghellingen. In het zicht van de dood. Liefst in de nacht, tussen de resten van de dode lichamen, die daar neergelegd worden om door gieren te worden opgegeten. Dat is niet alleen omdat het er stinkt, er enge beesten ronddwalen, of omdat er geesten zijn, die je aan je mouw trekken. Je beoefent vanwege je moment van sterven, zodat jij op dat tijdstip kalm blijft als je organen één voor één uitvallen, de grond onder je voeten vandaan glijdt en je wie weet monsters ziet. Met de dood wordt je op deze crematieplaatsen sterk geconfronteerd.

Zes jaar lang had ik meegewerkt aan het project van ‘pionieren’, een initiatief van de Protestantse Kerk om gemeenschappen te maken met mensen, die niet naar de kerk gaan. Ik heb zelf een tijd gepioneerd en zat in het landelijk pioniersteam dat mee dacht over het beleid. Op een gegeven moment stopte ik ermee en stapte uit het landelijke pioniersteam. Uit vrije wil. Grote rouw overviel me. Het was enorm verrijkend in dat team te zitten. Ik leerde mensen kennen uit alle hoeken van de kerk. Met plezier kruis ik nu mijn wijsvingers en roep ‘occult’, als ik moet uitleggen waarom evangelicalen de tarot niet zien zitten. ‘Vallen in de Geest’, een fenomeen dat ik ontmoette op een conferentie van pinkstergelovigen, bleek ik te kennen uit de nieuwe spiritualiteit. En er was die grote solidariteit met andere pioniers en kerkplanters uit heel andere geloofsrichtingen, meestal veel zwaarder dan de mijne, die de stap naar de wereld en de mensen buiten de kerk maakten, net als ik.

Maar vooral, ik had me niet gerealiseerd hoezeer het pionieren tot mijn identiteit behoorde. Het afscheid trok de grond onder mijn voeten weg. Mijn identiteit rats weg. Poef paf.

Chöd beoefening vindt op het scherpst van de snede plaats. Stukje voor stukje dien je je hele lichaam op aan alles waar je bang voor bent. Je geeft je maag en je darmen, je vel en je vet. Je geeft tot het beetje pus en pis dat overblijft, en ook dat geef je nog. “Haar, tanden, nagels, meer heb ik niet. Hier nog wat vet, wat pus en pis”.Je schenkt het uit mededogen. Datgene waar je het meest aan verknocht bent, ‘wie jij bent’, je vlees en je bloed, wat jou tot jou maakt, dat deel je uit liefde. Chöd is een verdichting van de Pranjaparamita Sutra, die over leegte en wijsheid gaat. Wat je in de Sutra’s leest, breng je met Chöd in praktijk. Voor mij is Chöd ook radicale navolging van Christus. Je deelt tot je niks meer over hebt en er geen grond meer is. Ik doe dat iedere dag, alsof het niks voorstelt, in het theaterstuk dat deze beoefening is.

Maar met dit afscheid overkwam het me in het ‘echt’. Ik verloor mijn grond, mijn identiteit. Ik had niks meer over. Grote paniek overviel mij thuis op de bank zat. Deze schrik, en vast nog ergere paniek zal me vroeg of laat steeds weer en weer overkomen, wanneer ik ziek word of mijn partner verlies. Stuk voor stuk ervaringen die ons in contact brengen met sterven en hoe ons daarin te gedragen en toe te verhouden.

Het is een menselijk vermogen om in groot lijden opluchting, vrijheid en genade te kunnen ervaren, al is het voor een moment. Lees de psalmen maar. Dit vermogen wordt benut in Chöd. Je oefent het als spirituele, psychologische, energetische techniek.

Na het afscheid, die avond op de bank, toen de grond onder mijn voeten weg was, bleek dat wanneer ik mij ontspande, ik de paniek tot het uiterste kon volgen, en dat daarin een diepe rust en opwinding verscholen zat. Er kwam ook lichtheid in mijn hart, en ik viel niet helemaal samen met mijn paniek.

Deze ervaring was opbrengst van de Chöd. In de ‘phowa’, een energetisch onderdeel in de beoefening, maak je de ‘geest’, jouw idee over jezelf, los van je lichaam. Je wordt in zekere zin getuige van jezelf. Het is niet uit te leggen, het is iets om te ervaren, maar dat maakt het mogelijk dat er iets anders, naast de paniek komt, of door de paniek ontstaat.

Je raakt erg nieuwsgierig door deze ervaringen, en ook van de ervaringen in de beoefening zelf : “Wat voel ik nu?” “Wat ervaar ik rond mijn hart, en bovenop mijn hoofd?” In de dagen na het afscheid, wat ik moeilijk bleef vinden, kwam te midden van somberheid en rouw ook de gedachte op: “Dit is interessant, wat mij nu overkomt, dit verlies, dat ken ik niet. Ik ben benieuwd hoe ik dat ga aanpakken”.

Chöd is een oefening voor het sterven. Het wonderlijke is dat de beoefening je juist ook levendig maakt en je volop betrekt bij het leven. Je werkt je met je ‘demonen’, je grootste angsten, dat is iets heel krachtigs en levenslustigs. Ze doen zich intens aan je voor: verdriet, woede, jaloezie, gevoelens van onwaardigheid. Door ermee te werken ontwikkel je mededogen, liefde voor jezelf en anderen, zachtheid. Grote gevoelens. Tegen het einde van de beoefening klinkt een “Ah”, waarin alles vrij wordt. Leegte. Opluchting. Dat alles helpt om je toe te wenden naar het leven.

En dan is er ook nog de grote lol bij het beoefenen. Zingen over een monster-vrouw en een griezel-monnik, blazen op een gek trompetje. Een gestreept dekentje aan. En soms een kraaienhoed op. Het blijft leuk.

Door de dagelijkse ceremonie verander je. Dat is geen mentaal proces, geen beslissing die neemt met je hoofd. Dat gebeurt, op mysterieuze wijze. Door de phowa, door de melodieën, het geluid van de trommel en de bel in je oren, door de bewegingen die je maakt om de instrumenten te laten klinken, en de moedige daad van het weggeven van je lichaam. Langzaam aan ervaar je in je dagelijkse leven steun in de crisissen die je meemaakt en geniet je meer en vaker van wat het leven je aanbiedt.

De zon erbij

November kan druilerig zijn en nat, donker en koud. Hier een manier om je te herinneren aan de warme, krachtige zon van de zomer. Pak de Zon uit je spel. Kijk naar de zon op kaart en ervaar dat dat de zon jou verwarmt.

Trek dan een kaart met de vraag: hoe kan ik vandaag met het licht en de warmte van de zon in contact blijven?

Christmastarot76602213_1792011147766923_8684918270492409856_n.jpg

Een bladzij omslaan. Een nieuwe dag als een nieuw jaar laten beginnen, met toeval, durf en andere gedachten.

Verborgen begin van Advent

Op deze dag wordt in de katholieke en in de orthodoxe kerken het Feest van de Opdracht van Maria in de Tempel gevierd. Het is het verborgen begin van Advent.

Dit feest berust op hele oude legenden. Maria’s vader en moeder, Joachim en Anna, hadden beloofd dat ze hun kind aan God zouden toewijden. Toen ze drie was, werd ze door haar ouders naar de tempel gebracht.




Advent is een tijd van je openen voor het licht, terwijl het buiten donker is. Trek een tarot- of orakelkaart met de vraag: Welk teken van Advent ontdek ik vandaag?

Mijn kaart was de Kluizenaar. Uit het gewoel, met mededogen kijken. Dat is het eerste licht dat ik ontdek van Advent.


Hermit.JPG

Thema van ‘Verborgen begin van Advent’ heb ik uit de Pylgeralmanak, een website die nu niet meer bestaat. Het verhaal van Joachim en Anna komt voor het eerst voor in het Proto-evangelie van Jakobus (ca. 145 n.C.; hfdst. 1-8:2)

Preek over het braambos en een kruis op de Museumbrug

De teksten die we vanmorgen gelezen hebben, reiken ver, verder dan het bekende en het zichtbare (Ex.3:1-15,Luc. 20: 27-38). Jezus spreekt met de Sadduceeën over de opstanding van de doden. Dat reikt tot over de dood heen. Mozes gaat ook verder dan het bekende. Hij leidt zijn kudde schapen ver weg, tot voorbij de steppeland, helemaal tot aan de berg Horeb. Zittend bij de braamstruik, ontmoet hij God.

Een paar weken geleden heb ik op een zaterdagmiddag een kruis neergezet op de Museumbrug in Amsterdam. Met een groepje christenen, Christian Climate Action, deden we mee aan de actie van de milieubeweging Extinction Rebellion. De bedoeling van de actie was om de Museumbrug en de Stadhouderskad voor het museum te bezetten. Het was een geweldloze actie. Het zou ook vrolijk worden. Er zou kunst komen op die brug, een grote walvis, sprekers en muziek. Wij wilden als christenen op de brug een plek om af te spreken en om waxientjes aan te steken in jampotten met gebedsintenties. Ik zette, om die plek te markeren, op de zaterdag voor de actie begon vast dat kruis neer. Het kruis was de plaats van waaruit wij actie voerden.

Het was een simpel kruis, gemaakt van van twee takken uit de tuin. Ik moest dat vastmaken aan de leuning van de brug, want een kruis blijft niet staan. Ik zat daar op m’n knieën. Een tas van de Action naast me, waar het kruis in had gezeten, schaar en touw. Achter me ging een stroom van toeristen langs me heen, op dat smalle stoepje. Het was zo onhandig als je het maar kon voorstellen. Helemaal niet een heilige plek, waar je je schoenen uittrekt, zoals Mozes deed. Ik heb er die middag gebeden voor iedereen, voor de actievoerders, voor de politie. Maar het voelde als vreemd. Een houten kruis op de Museumbrug tussen de bloembakken en de toeristen.



God spreekt tot Mozes bij de braambos op een moment dat het lijden van het volk Israël heel groot is. Ze zijn slaven in Egypte. Hebben het benauwd. Ze weten niet hoe ze eruit kunnen komen. God openbaart zich hier in de wanhoop, in het diepe, diepe zwart, de situatie kan niet slechter zijn. Soms gebeurt dat.

Die wanhoop herken ik op dit moment bij de actievoerders uit Extinction Rebellion, veel studenten, jonge mensen: “Kijk naar de cijfers”, zeggen ze. "Mensen en dieren alles gaat ten onder, we sterven uit, en heel snel.” Ze zeggen dat niet alleen, ze voelen dat ook. Als rouw. Die rouw komt zomaar naar boven, als je iemand een doos met folders geeft en een klein gesprekje hebt. En toen ik meedeed aan een demonstratie, liep iemand naast me te huilen. Haar dochter wilde geen kinderen, vanwege de toekomst die zij voor zich zag.

Er zit een beweging in, in de teksten uit Exodus en Lucas die we gelezen hebben. Een beweging van het concrete nu, vol verdriet en verdrukking en benauwdheid, naar een wereld waar je op hoopt, van opstanding van de doden, van recht en vrede voor ieder. Bij Mozes gaat het om de verdrukking van het volk Israël in het hier en nu. En God houdt hem een land van melk en honing voor, om heen te gaan waar het anders zal zijn. In de tekst uit Lucas, vragen de Sadduceeën zich hoe dat nu precies zit met de vrouw die 7 broers als echtgenoten had gehad, en allemaal achter elkaar stierven. Van wie is ze nou eigenlijk de de echtgenote, in de opstanding? Ze is tenslotte met 7 mannen getrouwd geweest. Dat is een vraag, die uitgaat van nu. Als het nu zo geregeld is, dan zal het daar ook zo geregeld zijn. Jezus zet er een heel andere wereld tegenover. Hij gaat niet uit van hoe we de wereld kennen, van hoe het nu is. Hij laat een heel andere wereld zien. Onze wereld is in de opstanding heel anders. Daar doet je maatschappelijke status er helemaal niet toe. Iedereen is daar kind van God. Of je nu getrouwd was of gescheiden, weduwe of weduwnaar, CIS of LHBTI, ieder gekend en geliefd. Een engel, een kind van God. Die andere wereld is vaag in contouren, onbekend en ver, maar echt anders dan nu. Daarin zijn we verlost van pijn en ongelijkheid, van rouw. Daar zijn de laatsten de eersten. Die wereld geeft ons richting.

Aan die andere wereld, daar denken we niet zo vaak aan. Er is de dringende noodzaak dingen te doen in het hier en nu, te mantelzorgen, kinderen op te voeden, te werken. Die andere wereld, dat visioen van ‘deze wereld omgekeerd’, het koninkrijk, onze tranen afgedroogd, thuiskomen, daar komen we niet zo vaak in contact mee. Toch is het dat wat ons richting geeft en voedt.

Afgelopen maand hadden we een avond over spiritualiteit, met alle wijkgemeenten uit Hoofddorp. Je kon allerlei workshops doen. Er was lectio divina, een meditatieve vorm van bijbel lezen. Je kon liederen lezen uit het Liedboek, die je anders zingt, en erbij stilstaan wat die teksten met je deden. Je kon een kralensnoer maken om er thuis mee te bidden als een rozenkrans. Er was spiritualiteit van de kwetsbaarheid en groene spiritualiteit. Het deed ons goed, die aandacht voor onze spiritualiteit. “We moeten dit vaker doen”, zeiden we tegen elkaar. Hoe houd je dat levend, die aandacht voor dat visioen?

Ik deed op die avond de workshop over het bidden met een kralensnoer. We hadden maar drie kwartier. We haastten ons voort. Tot iemand uitriep. “Oh, konden we maar langzamer, hadden we maar meer tijd.” Onmiddellijk werd het anders. Er kwam aandacht voor een kraal, die glad in je vingers ligt, waar levensaders in leken te zitten. Tijd voor verwondering. We zakten ietsje meer in onszelf. Ietsje minder gehaast. Daar ligt een deel van het antwoord, hoe we bij die toegang tot die andere wereld kunnen komen. Het gebeurt in de ontspanning, in de mijmering, in de diepe verlangens in je gebed, of wanneer je afdwaalt, of net voordat je slapen gaat. Op zulke onverhoedse momenten, wanneer je het niet verwacht, kan je ziel open gaan, kan je een engel treffen, God horen spreken.

Maar ook in het nu, in het bewuste, alerte dagelijks leven, kan je ermee in contact komen. In momenten waarin je voelt: ‘maar zo is het leven bedoeld’, in dankbaarheid. Heel even is daar dan het koninkrijk van God. Dat is ook iets wat actievoerders in Extinction Rebellion helpt, die zo in rouw zijn. Onze bijeenkomsten beginnen daar vaak met de vraag: ‘Waar ben je dankbaar voor, vandaag?” Dat opent je voor het leven. Dat helpt om het goede vast te houden, in het leven nu.

Dat kruis daar op die brug, tussen de bloembakken, bracht ook het contact met dat visioen van vrede. Toen ik neerzette, voelde het vooral raar. Maar toen het er eenmaal stond, klein en machteloos, werd het een focuspunt. Het kruis was de plaats waar vanuit we meededen aan de actie. Geweldloos, met niets in handen, een offer. Meer niet.

God openbaart zich soms in diepe rouw, in groot lijden, zoals Mozes meemaakte, en geeft dan een richting aan. Soms ook in onverhoedse momenten, waarop je het niet verwacht. Of we herkennen het in momenten van dankbaarheid.

Ik wens ons allen toe dat er veel momenten zijn waarin we herinnerd worden aan het visioen van recht en vrede, verlost van pijn en ongelijkheid, een land van melk en honing. Amen.

Preek in de Lichtkring, Protestantse Kerk, Hoofddorp 17-11-2019

De impuls tot geweld

Ik zit op Twitter. Op de dag van de boerenprotesten kwam steeds het filmpje langs van de de tractor die hekken omver reed en bijna een fietser raakte, en ook van de boeren die de deuren van het provinciehuis in Groningen vernielden. Ze herinnerden me indringend aan de acties van Extinction Rebellion in Amsterdam waar ik de week voor de boerenprotesten aan meedeed met Christian Climate Action. De angst die zulke grote voertuigen oproepen, kwam helemaal terug. We hadden op maandag 7 oktober de Museumbrug geblokkeerd en toen die ontruimd was op diezelfde dag, volgden die week allerlei andere acties in de stad. Ik ervoer weer hoe ik op donderdag bij de Heineken brouwerij stond en deelnam aan een blokkade actie van het kruispunt. Tussen mij en de grote vrachtwagens was slechts een dun spandoek. Ik hield dat niet lang vol. Zo af en toe verplaatste ik me naar achteren en nam iemand anders mijn plaats aan het spandoek in. Het was te kwetsbaar. Ook zag ik anderen van Extinction Rebellion voor mijn ogen, op de blokkade van de Blauwbrug later die week, liggend op de grond, tegenover grote ME bussen. Allemaal zachte lichamen, armen in elkaar gestoken, zingend, koekjes en een appel delend met elkaar. Wachtend om weggesleept te worden. Extinction Rebellion is geweldloos.

Zijn wij van Extinction Rebellion moreel superieur aan de boeren, omdat we geweldloos zijn? Tijdens de actie bij de Heineken brouwerij werd een spandoek uit mijn handen gerukt door een voorbijganger. De man ging uit zijn plaat, omdat we 7 minuten lang het kruispunt blokkeerden waar hij langsliep. Even gingen we nog luider zingen, scanderen een leus, tot een van ons met een handbeweging opriep tot stilte. Dat de-escaleerde de situatie en we kwamen ook zelf tot rust. We hebben dat geleerd, om te de-escaleren, geweldloos te blijven. We organiseerden in de aanloop naar deze actieweek aan de lopende band trainingen hoe je geweldloos acties van burgerlijke ongehoorzaamheid doet en hoe je geweldloos communiceert. Maar onze eerste impuls in deze actie was het tegenovergestelde, dat was luid en heftig zijn, dat was escaleren. Geweldloos handelen gaat tegen ons instinct in, om te vechten of te vluchten.


Swarming20191011_094159.jpg

De reformatorische traditie waar ik uitkom helpt om die impuls helder te zien. We hebben allemaal dezelfde inborst. Geneigd tot alle kwaad, ook tot vechten. Nee, wij van Extinction Rebellion zijn niet moreel superieur aan de boeren. Ik herken de impuls tot geweld. En ik weet hoeveel beheersing het kost daar niet aan toe te geven. Wij hebben dat niet gedaan in deze actieweek. Er waren boeren die wel geweld gebruikten.

Het is in mijn hoek van de kerk, het midden van de Protestantse Kerk, op dit moment gebruikelijk om met genadige ogen naar het gedrag van mensen te kijken. Het woord zonde dat zo lang zo sterk aanwezig geweest is in onze traditie en waar mensen onder gebukt zijn gegaan, gebruiken we niet meer. We steken kaarsjes aan, hebben compassie en doen aan troost. Dat zag ik nu ook bij het geweld van boeren op mijn twittertijdlijn. "Het mag niet, maar joh, ze hebben het zo moeilijk!" Vergoelijken, met de hand over het hart strijken, het geweld niet werkelijk veroordelen. Zwalken en schipperen.

Daar gaat het mis. Het oordeel is verdwenen. Er is alleen nog maar genade. En dat terwijl het hier niet om zomaar iets gaat. Het gaat om geweld, met geweld je zin doordrijven in grote machines. Nu ik zelf zo bang ben geweest met alleen een spandoek tussen mijn lichaam en de grote wagens, en ik ook merkte hoe dicht de impuls om geweld te gebruiken onder de huid ligt zie ik in, hoe belangrijk is het is, dit geweld niet te excuseren, maar met alle kracht te veroordelen.

In: In de Waagschaal.

Vieren op straat

In oktober deed ik samen met Christian Climate Action mee aan de geweldloze blokkade van Extinction Rebellion in Amsterdam, voor het Rijksmuseum. We wilden een getijdengebed op de blokkade houden, waaraan ook mensen van buiten konden meedoen. Dat mislukte. De politie sloot al snel de blokkade af. Je kon er niet meer inkomen. Zo kwam het dat er binnen de blokkade gebeden werd en ook buiten, op dezelfde tijd. Binnen de blokkade gebeurde dat op een steigertje. Buiten de blokkade deden we dat bij de politieafzetting voor de Museumbrug, vlakbij de verzamelplek die we in het Facebookevent genoemd hadden. We hoopten op mensen van buiten, maar die kwamen niet. We bleven met z’n drieën, waarvan één journalist. We zaten op de grond naast een groene prullenbak.

Het was ongemakkelijk en tegelijk heel mooi. Het paste daar helemaal niet op die stoep, die kaarsjes en het zitten daar. Het had iets terloops, of we zo weggewaaid konden worden. En iedereen was groter dan wij. We deelden in de viering wat ons grootste verlies zou zijn, als de schepping teloorging. Er gebeurde ondertussen een heleboel wat de aandacht trok. Zoals een vrouw die door de blokkade heen wilde breken, op de fiets met haar hondje voorop in een mandje, en dat voornemen aan ons vertelde. En het was heel lawaaiig. Ons centrum was een klein kaarsje in een jampot, dat was het licht van Christus, met daaromheen waxinelichtjes. Het was schamel. Zo kwetsbaar, tussen de dorre bladeren. Geen plek om het hoofd neer te leggen, zoiets.




Toen ik de liederen die we zouden zingen tevoorschijn haalde en in ons midden neerlegde, overviel mij grote schaamte. Ik had ze in grote letters uitgeprint en in een multomap gedaan met een plasticje eromheen: “Laudate omnes gentes”, “Jesu le Christ”. Leek me handig, hoefde niemand moeilijk te doen met uitgeprinte blaadjes. De liederen waren van veraf leesbaar, gitzwart op hagelwit papier. Ik voelde ik me als iemand die met grote borden oproept tot bekering, “Jezus redt”, zoals je wel ziet bij het Centraal Station in Amsterdam. Een Jezusgekkie, waar iedereen aan voorbij loopt en ik ook, met plaatsvervangende schaamte.

We hadden waxinelichtjes aangestoken, met gebedsintenties. Toen we klaar waren, en de journalist nog wat uitleg kreeg bij de afzetting, zat ik er in mijn eentje. Ik wilde een foto te maken van de plek en had de uitgewaaide waxientjes weer aangestoken. Er kwamen twee actievoerders aan. Een van hen kende ik een beetje. Hoe het kwam weet ik niet. Maar ze wilden een kaars aansteken met een intentie. Ze gingen zitten. Och, het was zo mooi. “Voor Moeder Gaia” was de eerste intentie. En de tweede was voor “Hoop”. Recht uit het hart. En zo nodig.

Het punt is, het één kan niet zonder het ander. Het gebaar van het aansteken van een kaarsje met een betekenisvolle intentie, is er niet zonder die religie, die omgeven is met zoveel schaamte.

Swarming in Amsterdam

Op vrijdagochtend 26 april ging ik vroeg in de ochtend het huis uit met een telefoonnummer en een naam van een advocaat op mijn arm geschreven. Ik deed mee aan de eerste ‘swarming blokkade’ in Nederland. Zes verschillende groepen, ‘swarms’, gingen in de ochtendspits in het centrum van Amsterdam, straten blokkeren. Steeds 7 minuten lang en dan verplaatste de swarm zich naar een andere straat. Doel van de actie was, verkeershinder te veroorzaken, zodat het door gaat dringen dat we geen tijd te verliezen hebben, dat we nog maar tot 2025 hebben om de broeikasgassen terug te brengen tot 0, en niet langer. Worst case scenario was, dat we opgepakt zouden worden, vandaar dat nummer en die naam. Ik had er die nacht niet van geslapen. En ik was niet de enige.

We waren goed voorbereid. Iedereen in de swarm had een ‘buddy’, iemand op wie je lette of het goed ging, en diegene lette ook op jou. Er waren mensen die tot taak hadden de moed erin te houden. Er was iemand die met de media sprak, iemand die alles filmde om later te kunnen zien wat er precies gebeurde als er iets mis zou gaan, en een politie liaison, dat was ik. We hadden een lange banner om achter te staan, die dwars op elke straat zouden passen. We hadden koekjes om uit te delen aan de wachtende automobilisten, en grote borden om te laten zien hoeveel minuten het wachten nog zou duren. We wisten dat automobilisten boos zouden zijn, dat het enorme irritatie op kon wekken. Toch waren we niet voorbereid op wat zou gebeuren.

Vrolijk rolden we keer op keer onze banner uit en stapten de te blokkeren straten op. Hielden de minuten bij, deelden koekjes uit aan lange rijen wachtende automobilisten. En zongen de vrolijke en bittere liedjes over klimaatrechtvaardigheid, zoals: “…I hear the voice of my great granddaughter, singing climate justice now…” Op een gegeven moment scheurde een auto vlak voor onze blokkade langs, illegaal de hoek om. Twee agenten op motor schoten hem achterna.


Bij de volgende blokkade, bij de ingang van de IJtunnel, veranderde alles. We rolden onze banner uit, stapten de straat op en toen gebeurde het. Twee auto’s, bijna over ons heen. Als politie liaison blijf je buiten de actie, blokkeer je niet mee. Maar ook ik stapte geschrokken in de blokkade, om die te versterken. Tomeloze agressie. Op het nippertje niet overreden. Politie was nog ver weg, de bon uit de vorige blokkade uit aan het schrijven. De lange, lange banner was niet lang genoeg, raakte niet tot aan de stoep. Een voorbijgangster schoot ons te hulp.

Na dit gebeuren was de stad anders. De wegen leken breder, de gebouwen intimiderender. En er was zoveel geluid. We zijn geweldloos in Extinction Rebellion, vechten niet, trainen ons erin om zacht terug te spreken, als iemand tegen ons schreeuwt. Maar we begeven ons wel in geweld. Dat geweldloze roert een kern aan. Iets wat eindeloos is en groot in ons en nooit opraakt. We zijn in een kring gaan staan, en hebben ons daarmee verbonden, en daarna met elkaar, de vogels, de gebouwen, de harde geluiden en ook met de automobilisten. Dat hielp om verder te kunnen gaan.

Voor mij is er die dag iets onomkeerbaar veranderd. Toen ik ‘s ochtends van huis ging, was ik bang om gearresteerd te worden. Surrealistisch vond ik dat, toen ik thuis kwam, volkomen onbelangrijk. Ik kwam die dag tot het besef dat ik kon sterven in de actie die ik voerde. Ik realiseerde me dat ons leven op het spel staat op het moment dat we de weg op stappen. Het is een daad van zelfopoffering, van vrijheid om dat toch te durven doen. Je loopt werkelijk het risico het leven te verliezen.

Voor het blog van Extinction Rebellion.nl

De vrouw uit het Soesterkwartier en de vrouw bij de bron. Analyse van een filmpje voor pioniers

Er is een filmpje gemaakt voor de leergemeenschap Pionieren van de Protestantse Kerk. Het kwam in april 2019 uit. Het is bedoeld om te leren ‘luisteren’. Dat is de pioniersterm voor het leren kennen van de behoeften en verlangens van de mensen buiten de kerk met wie je een gemeenschap wilt vormen. Het is een essentieel onderdeel van pionieren. Ik geef in dit stuk een reflectie op dit filmpje.


Een PDF met een bijna letterlijke tekst van het filmpje.

Het filmpje is gemaakt aan de hand van ervaringen van Oeds Blok in de gemeenschap Buurtkerk Soesterkwartier in Amersfoort. Hij vertelt aan de hand van zijn ervaringen hoe je het luisteren het beste kan aanpakken. Er zit de oprechte wens in om mensen buiten de kerk te leren kennen en er een diepgaand contact mee op te bouwen.

In het begin van het filmpje introduceert Blok een probleem waar hij een oplossing voor biedt. Dat is de schrik en angst die je kan voelen wanneer iemand heel andere denkbeelden heeft, die dichtbij komen. Dat heeft vaak tot gevolg dat je je terugtrekt uit het gesprek en je niet meer nieuwsgierig bent naar de ander. Blok propageert om dit te signaleren bij jezelf, je normen en waarden los te laten, je aandacht helemaal te richten op je gesprekspartner en om vragen te stellen over die denkbeelden en de betekenis daarvan in iemands leven. Dan ontstaat er, zegt Blok, misschien ruimte waarin jij jouw visie in kan brengen en misschien een woord van Jezus. Het is een dynamiek van ‘loslaten’ en ‘uitspreken’.

De uitnodiging je bewust te worden van je angst is belangrijk. Ik kan dit niet genoeg benadrukken. Het kan er al zijn wanneer we ergens binnenstappen en de geur ruiken die er hangt. Angst is een onaangenaam gevoel. We willen het graag weg stoppen om het niet te voelen en wijzen de ander dan maar af. Het een belangrijk instrument dat Blok biedt. Deze manier van werken verdiept ontmoetingen met mensen die niet zijn zoals wij. Het is van het grootste belang, en ik denk dat we nog een stap verder kunnen gaan in de toewending. Ook zie ik een valkuil in het filmpje, in de wijze waarop vrouwen en mannen een rol krijgen en in de gehanteerde theologie.

Stereotypering

Het probleem wordt geïntroduceerd met een voorbeeld van een gesprek dat Blok voerde. Een gesprek met een vrouw. Samen met zijn team was hij drie keer bij een vrouw geweest om op te ruimen. Hij benoemt haar als een "leuk en creatief mens". In een gesprek was deze vrouw begonnen over karma en sterrenbeelden. Daar nu, was Blok van geschrokken. Hij voelde zich bedreigd, het kwam te dichtbij. Hij verloor het contact en wat hij het ergste vond, zijn nieuwsgierigheid. Het is een sterk voorbeeld. Weerstand tegen deze denkbeelden zal door veel christenen, vooral aan meer orthodoxe en evangelische kant van de Protestantse Kerk, herkend worden. In sommige kringen maak je dan een kruis met je wijsvingers, dat betekent dan dat het ‘occult’ is en verwerpelijk. Oeds poogt om daar niet zo’n oordeel over te hebben. Dat is een grote stap.

In dit voorbeeld nu, komen een aantal stereotyperingen van vrouwen samen. Het is voor vrouwen -en mannen- nadelig als die een rol gaan spelen in denkbeelden over God en heil. Dat doen ze van oudsher en we zullen zien dat dit ook gebeurt in dit filmpje. Dat is de valkuil die ik wil benoemen. De eerste stereotypering is: “Vrouwen zijn chaotisch”. Het is zo’n rommel bij deze vrouw dat zijn team er wel drie keer geweest is om orde te scheppen, zoveel was er te doen. De tweede stereotypering is: “Vrouwen zijn irrationeel”. De vrouw in het Soesterkwartier gelooft in sterrenbeelden en karma, beide niet rationeel te verklaren. In seculiere omgangstaal wordt dan gezegd: ze is ‘spiriwiri’, ‘aardstralenvrouwtje’, ‘zweefteef’. De derde is: “Vrouwen zijn exotisch en vreemd”. De vrouw is als vreemd, griezelig terrein dat onderzocht en in kaart gebracht moet worden, zodat ze niet meer gevaarlijk is (vgl.: Simone de Beauvoir, de Tweede Sekse, mythen) . Het vierde stereotype is dat van “Damsel in Distress”. De vrouw als hulpeloze, die gered wordt door de mannelijke held. De vrouw uit het voorbeeld kan haar huis niet zelf opruimen en wordt geholpen. We zien hier ook de ongelijkwaardige situatie van hulpgever en hulpbehoevende.

De vrouw bij de bron

Blok’s verhaal wordt steeds ondersteund met teksten uit de bijbel. Een stukje verder in het filmpje haalt Blok de tekst over Jezus en de vrouw bij de bron aan, waarin Jezus te drinken vraagt aan de Samaritaanse vrouw, die water aan het putten is (Johannes 4). Blok voert Jezus op als voorbeeld, als iemand die meester is in stellen van vragen en dus aandacht heeft voor zijn gesprekspartner. Het verhaal bij de bron spiegelt de situatie van het gesprek in het Soesterkwartier. Omdat het om een man en een vrouw gaat, waarbij de man en de vrouw dezelfde positie innemen, associeer je Blok met Jezus, en de vrouw bij de bron met de vrouw in het Westerkwartier. De Samaritaanse vrouw lijkt op de vrouw uit het Westerkwartier en Jezus lijkt op Blok. Net als de vrouw uit het Amersfoortse voorbeeld draagt de vrouw bij de bron geen naam. Ze is als Samaritaanse vreemd en anders, net als de vrouw uit het Westerkwartier. Verder heeft ze vijf mannen gehad, en de man die ze nu heeft is niet haar eigen man. Je zou dat als chaotisch kunnen kenschetsen. Jezus wil deze vrouw redden, zoals Blok de vrouw in Amersfoort redde met zijn opruimactie. Het is een ongelijkwaardige relatie.

Als we ons de tekst in herinnering brengen, dan spiegelt het verhaal over de vrouw bij de bron, het gesprek van Blok in Amersfoort niet helemaal. Bij de vrouw in het Soesterkwartier was het een rommel en werd er opgeruimd. Er vond een ordening plaats, waarin alles een juiste plek kreeg. In het verhaal van het vrouw bij de bron gaat het over water. Levend water stroomt. Interessant nu is dat dit een kenmerk is, dat stereotiep aan vrouwen toegeschreven wordt. Mannen ordenen en heersen; vrouwen stromen en vloeien. Jezus bezit hier dus kenmerken van een vrouw. Maar het water van Jezus is wel anders dan dat van vrouwen. Het water van vrouwen heeft te maken met geboorte, met het aardse, tijdelijke leven: menstruatie, borstvoeding, vruchtwater. Jezus biedt het levende water, het eeuwige leven. Jezus bezit dus een kenmerk dat aan vrouwen toegeschreven wordt, maar dan in overtreffende trap. Vrouwen hebben en bieden het aardse water. Jezus heeft toegang tot en schenkt het eeuwige, levende water.

Nog een verschil tussen het bijbelverhaal en het eerste gesprek is, dat de vrouw daarin vreemd en onbegrepen bleef. Blok liep daar tegen zijn probleem op. In het verhaal van de vrouw bij de bron blijft ze geen vreemde, maar wordt ze geheel doorgrond door Jezus. Jezus weet, zonder dat de vrouw dit gezegd heeft, dat ze vijf mannen heeft gehad en dat de man die ze nu heeft, niet de hare was. Jezus doorgrondt en doorziet haar. Jezus is dus paranormaal. Dat hoort bij de sterrenbeelden en het karma uit het gesprek in het Soesterkwartier, bij het irrationele, het zweefteverige, een van de stereotyperingen van vrouwen. Jezus heeft nu dit stereotiepe kenmerk, maar bij hem wordt dit positief gewaardeerd. De vrouw erkent Jezus als profeet, die het levende water geeft. In het gesprek in het Soesterkwartier bleef de vrouw een bedreigend mysterie. In het verhaal van de vrouw bij de bron wordt ze helemaal gekend door Jezus. Hij overtreft Blok en vervult de opgave waarin Blok faalde. Jezus geeft geen oordeel en behoudt het contact wel. Ook weet Jezus wat de behoeften van de vrouw zijn, het doel van het ‘luisteren’. Het lukt Jezus zelfs de vrouw aan zich te binden. Ze bekeert zich, en haalt anderen op om naar Jezus te gaan.

Jezus bezit dus vrouwelijke eigenschappen. Hij doet het beter dan Blok, vanwege deze eigenschappen. Maar dit straalt niet af op vrouwen. Blok wordt door de opbouw van het filmpje met Jezus geassocieerd. Doordat hij dezelfde positie als Jezus inneemt, vallen Jezus en Blok helemaal samen. Het mooie straalt af op Blok.

De vader

Jezus stelt zich helemaal open, zegt Blok. Hij verwijst daarbij naar Filippenzen 2. Hij had de gestalte van God, liet alles los en werd mens. Blok vraagt zich af hoe Jezus zo open kon zijn; hijzelf voelt zich bedreigd. Bij bedreiging is het belangrijk je veilig te weten, zegt Blok. Dit zou het voor pioniers gemakkelijker maken om diepgaande contacten aan te gaan. Oeds vermoedt dat het geheim van Jezus om zich veilig te voelen, de band met de Vader is. Jezus weet dat hij geliefd is door de Vader. “Zo kon Hij open staan voor de ander en zichzelf geven, zelfs ook naar de vijandige ander.” De hulp om te kunnen gaan met een bedreigende, vreemde ander, in het voorbeeld een vrouw, komt dus bij een man vandaan, uit een specifieke ouder-kind relatie, de relatie tussen een vader en een zoon. Vrouwen, als moeders en dochters staan daar buiten. Wij hebben daar geen deel aan, niet aan de intimiteit, en ook niet aan de veronderstelde ‘hoogste’, ‘heiligste’, relatie die er is, die tussen de Vader en de Messias. Ik voelde me in de loop van het filmpje steeds meer in de steek gelaten, buitengesloten van de goede dingen, tot ik er helemaal geen deel meer aan had.

Luisteren naar de vader

Tegen het eind van het filmpje vertelt Blok dat zijn gemeenschap heeft ‘geluisterd’ naar de mensen uit het Soesterkwartier, dat ze hun cultuur en hun ritmes hebben leren kennen en zich daaraan aangepast hebben. Iemand had hen gesuggereerd dat het evangelie gepraktiseerd moest worden, dat het ‘gedaan’ moest worden. Ook trok Blok zich de verwachting aan van een oudere man. Die had hem gezegd dat hij respect had voor mensen die geloven, en ernaar leven. Dit is niet voor niks een oudere man. Die heeft rol van een vader, gespiegeld en verbonden met God de Vader, die veiligheid biedt. Blok en in zijn voetsporen de Buurtkerk, blijven binnen deze veilige band, en de band wordt versterkt door te doen wat de oudere man aanraadt. Het kan best zijn dat degene die suggereerde dat het evangelie vooral gepraktiseerd moest worden, een vrouw is geweest, maar dat wordt niet gezegd.

Het loslaten van het oordeel is een belangrijke stap in het contact met iemand die anders gelooft en denkt dan wij. Blok ervaart de toewending naar de ander als een bekering. “Ik heb meer rust gekregen over mezelf en meer aandacht voor mijn eigen verhaal. Maar ook ben ik meer open gaan staan voor het verhaal van de ander. Het is een bekering tot de ander.” Hij vergelijkt het met de verandering die Petrus onderging toen hij het huis binnenstapte van een gelovige heiden, Cornelius de hoofdman. Hij zag toen dat de Geest van God ook bij de heidenen was, die in tongen spraken en God loofden (Handelingen 10). Door hem ontdekt Petrus dat God ook bij de heidenen is. Deze nieuwe geloofsruimte wordt hem geschonken door een man, die hem uitnodigt in zijn huis. Cornelius schenkt hier het heil. Ook in dit verhaal komt geen vrouw voor die het heil biedt.

De dynamiek van luisteren en uitspreken

In Buurtkerk Soesterkwartier werden de activiteiten en het tijdstip van samenkomst veranderd. De veranderingen gaven de Buurtkerk een nieuw venster op het geloof van de gemeenschap. Maar ik zag eigenlijk alleen praktische veranderingen. Ik mis in de dynamiek van ‘luisteren’ en ‘uitspreken’ het moment waarop de ander die zo anders denkt en vreemd is, ons existentieel kan raken en inspireren. Ik had me kunnen voorstellen dat Blok over het gesprek met de vrouw uit het Soesterkwartier had gezegd: “Wat is het jammer dat ik schrok, dat ik niet geraakt kon worden door haar visies, kon kijken of karma of sterrenbeelden iets voor mijn leven en geloof zouden kunnen betekenen.” Maar dat kan niet in de dynamiek, zoals die in dit filmpje gepresenteerd wordt. In de dynamiek van loslaten en uitspreken geef je de ander ruimte waarop vervolgens ruimte kan ontstaan waarin jij jouw perspectief kan geven en misschien een woord van Jezus. De ander mag zo denken als hij of zij wil, maar jij mag niet denken zoals die niet- christelijke ander. Er is geen ruimte voor dialoog of wederzijdse beïnvloeding. Daar lijkt een verbod op te zijn. Bovendien, bij een vrouw die geholpen wordt, waarbij de pionier als redder aanwezig is, zal die beïnvloeding niet plaatsvinden. Daar wordt vooral op neergekeken. Ongelijkheid en machtsverschil worden niet aangeraakt in deze dynamiek van loslaten en uitspreken.

Chaos en de ander in de theologie

Er is theologie die stereotyperingen opneemt en ze positief inzet, om de stereotypering te boven te komen. Een van de stereotyperingen van de vrouw was: ‘chaotisch’. Er is bijvoorbeeld een manier van denken waarbij niet neergekeken wordt op ‘chaos’, maar die juist als scheppend wordt gezien. Catherine Keller, een procestheoloog, geeft de chaos in Genesis 1 een heel positieve rol. Deze chaos is als een kosmische baarmoeder waar wij onderdeel van uitmaken, met impulsen waaruit de schepping voortgaand ontstaat. Er hoeft niet gesorteerd of geordend. Er hoeft geen verschil gemaakt te worden tussen levend water en aards water, tussen tijdelijkheid en eeuwigheid.

Een andere stereotypering was ‘de vrouw als de ander’. In sommige theologie wordt de ‘ander’, of het ‘andere’ dat we niet kennen, zeer gewaardeerd. Dat is in de theologie die in het spoor gemaakt wordt van Levinas en Derrida. Daarin kan die ander de Messias zijn, of is er sprake van een ‘messiaanse structuur’ die open staat voor ‘het andere’ of ‘de ander’ die op ons toekomt. In deze theologie is die ander niet iets om te doorgronden en te bezitten. In dit spoor van denken is de opgave om dit ‘andere’ of ‘de ander’ niet op te nemen en te begrijpen in ons eigen denksysteem en die te maken zoals wijzelf zijn. En ook om de ander niet als een object te zien, die je gebruikt voor jouw eigen doelen. Het blijkt steeds weer, dat dit niet lukt. Dat is het verdriet in dit denkspoor en tegelijkertijd er is de hoop dat dit ooit wel zal lukken. In deze theologie is het juist ‘de ander’ die onze redding kan zijn. Aanzetten hiertoe zitten in dit filmpje. Niet willen schrikken van de ander, maar die serieus willen nemen. De ervaring ‘bekeerd te zijn tot de ander.’ Het willen ontvangen van heil van vreemden: van de oudere man uit het Soesterkwartier en in het voorbeeld uit Handelingen, van Cornelius de hoofdman. Maar het blijft een fraterniteit: van vaders en zonen, van mannen onder elkaar.

Conclusie

Vrouwen komen in dit filmpje niet voor als dragers en schenkers van de goede dingen in het leven. Ze worden door inhoud en opbouw geassocieerd met met bedreiging, onveiligheid, vreemdheid, hulpeloosheid, irrationaliteit, rommel, aarde, tijdelijkheid en sterfelijkheid. Ze zijn objecten om te begrijpen en te redden, om hen uiteindelijk te binden in een bekering. Je zou kunnen zeggen dat de vrouwen pars pro toto staan voor de hele niet-kerkelijke gemeenschap van Soesterkwartier, die doorgrond moet worden om ze kunnen redden en ze te binden aan de gemeenschap. Het zijn de mannen die het heil bezitten en brengen, in welke vorm dan ook. Ze ordenen, doorgronden, geven het levende water van de eeuwigheid, vinden als zonen veiligheid in de band met de vader, geven als oudere mannen opbouwend advies. Let wel, het is niet uitsluitend dit filmpje of onze kerk waar vrouwen niet in beeld gebracht worden als positieve identificatiefiguren en brengers van het goede leven. Negeren van vrouwen gebeurt zelfs in kringen waar het expliciet beleid is om vrouwen of anderen met weinig macht, aan het woord te laten en in beeld te brengen. Dit laat zien hoe het diep dit verankerd is, in ons allemaal. Het is niet expres. Het gebeurt onbewust.

In de leergemeenschap pioniers wordt gezegd, dat er niet aan theologie gedaan wordt, omdat we daar te breed voor zijn. Dit filmpje laat zien dat dit niet waar is. Het is een heel bepaalde theologie die hier gepresenteerd wordt, die aan alle pioniers als vanzelfsprekend, heilzaam gegeven wordt. Laten we benoemen dat we aan theologie doen en aan welke, anders blijft het ondergronds. Een paar aanbevelingen voor de leergemeenschap. Ten eerste, breng pioniers in contact met theologie, school hen in verschillende manieren van denken over heil, God en mensen. Maak pioniers er bewust van hoe theologie, taal, beelden voor God en heil, uit kunnen sluiten, en draag alternatieven aan. Ten tweede, let bij het maken van leermateriaal voor pioniers op de manier waarop vrouwen in beeld komen in relatie tot het heil. Maak hen uitdrukkelijk tot dragers en verkondigers van het goede leven. Neem dit op in de standaard waaraan materiaal moet voldoen. Ten derde, vrouwen komen er in bijbelverhalen gewoonlijk bekaaid af. Neem de afstand tussen bijbeltekst en de lezer(-es) serieus. Maak verschil tussen de context van de bijbel en de context van nu. Zie het als heilige teksten om op kousenvoeten te benaderen, voorzichtig te openen, niet om plompverloren te hanteren als norm voor nu. Ontwerp materiaal waarin pioniers de bijbel leren lezen met een argwanende en een queer blik. Ten vierde, ga verder met de belangrijke stap die Oeds Blok hier aanbiedt. Deze methode verdiept de ontmoetingen met mensen die heel anders zijn dan wij. Geef nog meer ruimte in het ‘luisteren’. Geef pioniers toestemming om in dialoog te gaan en zich existentieel te laten raken in hun geloof.

Tot slot. Laten we nog eens teruggaan naar wat hier gepasseerd is aan ontmoetingen en verhalen. Wie heeft er nu concreet het goede leven laten zien? Dat is een vrouw, de vrouw bij de bron. Zij is degene die water putte en Jezus te drinken gaf.

De Luizenmoeder

Dat was een verrassende en best wel missionaire wending 😉 in de laatste aflevering van de hit televisieserie De Luizenmoeder. Juf Ank gaat de openbare basisschool De Klimop verruilen voor de christelijke basisschool De Strohalm.

De karakters worden met liefde neergezet, in de serie, maar oh…, vlijmscherp is de kritiek van juf Ank op de ouders van de openbare basisschool die hun kinderen inzetten om hun eigen bodemloze bestaan te fiksen.


Ik was benieuwd waar deze wending naar de christelijke school vandaan kwam. Het bleek dat eerder al geloof een thema was in het oeuvre van Diederik Ebbinge, die samen met Ilse Warringa de serie schreef. Hij maakte en regisseerde een film over een man uit een streng gereformeerd milieu (Matterhorn, 2013). In een interview met Filmtotaal zegt hij over de ontwikkeling van de hoofdpersoon: “Fred laat de dogmatiek voor wat het is, maar hij verlaat het geloof niet. Op die manier vind ik geloof prachtig. Hij is er niemand mee tot last en bevrijdt zichzelf.” Wat Ebbinge zelf van het geloof vindt, wordt hier niet zo duidelijk. Wel als hij praat over zijn gelovige opvoeding.

Ebbinge is christelijk opgevoed. Hij legt in datzelfde interview de nadruk op het niet benauwde en niet dogmatische van zijn opvoeding, die in tegenstelling staat tot de strenge gemeenschap van de hoofdpersoon uit zijn film. “Mijn vader was doopsgezind en mijn moeder vrijzinnig protestants, dus echt de vrijzinnige hoek. Ik heb daar heel veel van meegekregen want het prikkelde mijn fantasie enorm. Achter die vrijzinnigheid zit totaal geen dwang. Er waren vrouwelijke predikanten voordat er zelfs stemrecht voor vrouwen was. Homo’s zijn bij vrijzinnigen nooit een probleem geweest. Zelfs de vraag of God bestaat doet er eigenlijk helemaal niet toe. Het is een filosofische manier van in het leven staan zonder dogmatiek.”

Ebbinge zegt ook: “Je kunt tegenwoordig eigenlijk bijna niet meer zeggen dat je niets tegen het geloof hebt. Dan word je haast gelyncht.” In de serie zijn ze daar niet bang voor.

De monoloog van Juf Ank over haar overstap naar de christelijke school is geheel in lijn met de vrijzinnige gelovige opvoeding van Ebbinge. Het gaat om elkaar dragen, vertrouwen in elkaar, geborgenheid, steun, mogen falen. Besef dat we deel uitmaken van een groter geheel. Juf Ank noemt het een sprookje van geloof, hoop en liefde. Het mooie is dat seculiere kijkers zich hierdoor aangesproken kunnen voelen. Geloof als een sprookje, dat gaat nog wel. God nu ja, dat is moeilijk te begrijpen, maar geborgenheid en steun, dat is een groot verlangen.

De serie raakt ook een andere geloofsligging. De school waar Juf Ank heen gaat, heet ‘De Strohalm.’ Is die naam een knipoog naar ‘Het Gekrookte Riet’, een streng bevindelijk-gereformeerde groep, waar Ebbinga in zijn research voor de Matterhorn vast mee in aanraking is geweest? Een steek naar dogmatisme en benauwd christendom? Misschien. Aan een steek ontkomt niets en niemand in deze serie.

In de naam De Klimop zit de aansporing om op te klimmen. Omhoog moet je, op eigen kracht, aan jezelf overgeleverd. Aan een strohalm kunnen ouders en kinderen zich vasthouden. In de uitdrukking waar de naam vandaan komt, gaat het om de ‘laatste strohalm’. Als we die laatste strohalm niet vastgrijpen, gaan we ten onder, is de suggestie. De school deze naam geven, is een tragikomische overdrijving waarin een diepe overtuiging huist: geloof als laatste hoop op redding.

Het Mirjam en Mozes spel

Oh, nu ben ik benieuwd! Morgen gaan Janneke Nijboer en ik het Mirjam en Mozes leiderschaps-spel doen met pioniers uit de protestantse kerk op een teamtraining. Een zelfgemaakt coachings-spel aan de hand van het leven van Mozes en Mirjam. Situaties uit de bijbel, volksverhalen, de Mechilta en de Perkei Avot, toegepast op pionieren. Bij het oefenen van het spel vanochtend, gebeurde er iets wonderlijks.

Een van de spelmomenten is, dat je een dichte kaart pakt met de vraag: “Wat heb ik nodig om de volgende stap te zetten?” Ik kreeg de kaart ‘Juwelen’. Wanneer Mozes alsmaar op de Horeb is en niet terugkomt, wordt aan de vrouwen gevraagd hun juwelen af te geven om het gouden kalf te smeden. De vrouwen deden dat niet. Ze gaven hun juwelen niet af. Ze bleven vertrouwen. De steekwoorden op de kaart gaan over geduld hebben, afwezigheid verdragen, van God, van deelnemers, en om het bieden van vertrouwen aan mensen die er niet meer in geloven.


Toen ik dit allemaal las, herinnerde ik me, dat ik deze kaart van naam veranderd had. Hij heette niet meer ‘Juwelen’, maar ‘Afwezigheid’, en had een andere afbeelding gekregen. Ik had er een andere kaart van gemaakt. De kaart die ik nu getrokken had, hoorde helemaal niet meer in het spel. Die had eruit gemoeten. Ik ging zoeken. Had ik een oude versie van het spel, zat die nieuwe veranderde kaart er wel in? Dat was zo. Beide kaarten zaten in het spel. Het zette mij aan het denken, waarom ik nu juist deze kaart ‘Juwelen’ had gekregen en niet de kaart ‘Afwezigheid’? Had dat misschien iets te maken met mijn probleem waar ik het spel voor speelde? Waarom had ik juist het niet- afgeven-van- juwelen voor een gouden kalf nodig?

Ik herkende het. Vertrouwen, blijven geloven, bleef belangrijk. Maar de kaart zei me ook: ‘Let op, je hebt iets kostbaars, geef dat niet weg. Verkwansel het niet’. Misschien zelfs wel, ‘Let op, jij bent kostbaar, heb je dat wel door?’ Deze zaken had ik nodig in de situatie waar het om ging.

Voor pioniers kan dit belangrijk zijn, op bepaalde momenten in de pioniersreis. Iets kostbaars te hebben of te willen met je plek, beseffen dat je dat niet wilt opgeven voor een doel dat het visioen niet dient, nadenken hoe je daar dan voor kan zorgen. Het besef dat jij kostbaar bent voor God, voor ieder die je ontmoet, voor je team, voor de deelnemers, voor de kerkenraad.

Ik laat beide kaarten in het spel, en geef aan de kaart ‘Juwelen’, deze nieuwe betekenis mee. En ben nu heel benieuwd of iemand dat morgen nodig heeft, net als ik vandaag.