Ongelovige Thomas

Geloven in wat je niet ziet, zonder tastbaar bewijs, is kwetsbaar. Het staat onder druk van onze eigen ratio, of het wordt bespot. Soms is dat geloof zelfs helemaal weg, of wil het niet komen, hoe graag je het ook wil. Twee vragen, geïnspireerd door het verhaal over de verschijning van Jezus aan Thomas uit het Johannes evangelie (Joh.20:19-31).

Na zijn dood verschijnt Jezus aan zijn leerlingen, maar één van hen, Thomas, is daar niet bij. Hij gelooft de verhalen van zijn vrienden niet. Wanneer Jezus een tweede keer aan zijn leerlingen verschijnt, richt hij zich op Thomas, en hem zijn wonden zien en voelen. Dan gelooft Thomas het ook. Voordat Jezus van zijn leerlingen weggaat zegt hij: “Gelukkig zijn zij die niet zien en toch geloven.” (Joh. 20:29).

Bij twee vragen trek ik kaarten. Bij de eerste vraag: “Wat toont Jezus mij en laat hij mij ervaren, opdat ik geloof dat hij leeft”, trek ik de aas van Bekers. Het besef van een bron van liefde, in mij en om mij heen, die alsmaar blijft stromen en nooit opraakt, daardoor ervaar ik dat Jezus leeft.


Maar die oneindige bron van liefde ervaar ik niet altijd. Als ik die nou niet kan zien en ervaren, wat dan? Dat is vraag 2: “Hoe kan ik geloven dat Jezus leeft zonder dat ik hem zie en ervaar?” Ik trek de kaart van de Dwaas als antwoord. De Dwaas is de figuur in de tarot die vol vertrouwen zijn weg gaat. In sommige tarotspellen komt er een krokodil op de Dwaas af, in andere wordt hij in zijn billen gebeten door een kat, of loopt hij af op een ravijn. De Dwaas trekt zich daar niets van aan. Hij houdt zijn blik gericht op wat verder ligt, wat dat overstijgt. De Dwaas blijft in vertrouwen zijn weg gaan.

Ja, gelukkig zijn zij en wij, die niet zien en toch geloven.