Ziek

Arme stembanden

Ik kom bij een vriendin. Zij is bij een viering van het Feest van aarde en hemel geweest, een liturgisch experimenteel project waar ik aan meewerk. In deze viering ging het over ons lichaam, speciaal over lichaamsdelen van ons waar we moeite mee hebben. Van klei maakten we lichaamsdelen, legden hen op het altaar en zegenden hen.

“Ik had mijn stembanden gekleid, maar ze zagen er niet uit”, zegt mijn vriendin. “En toen ben ik er thuis ook nog op gaan staan.” Dit herken ik. Ik heb in de viering op mijn arm getrapt die ik gekleid had, en het kwam daar niet meer goed mee. Ze vervolgt: “‘Mijn man zei: 'Gooi die stembanden niet weg, dat is geen goed idee.’” Ik ken haar echtgenoot als een verstandige, rationele man. Protestant.  “Ik heb het toch gedaan", zegt mijn vriendin. "Ze waren zo lelijk.”

Ondertussen vraag ik me af waar ik mijn arm gelaten heb. Uit mijn tas gehaald, die raar zwaar was door die arm, die er nog in bleek te zitten. De vriendin gaat verder: “En toen ik ze had weggegooid, had ik de volgende dag last van mijn stem. Echt waar. De hele dag.” Weer denk ik aan mijn arm, wat ik ermee gedaan heb. Achteloos neergelegd. “’s Avonds ben ik de stembanden gaan zoeken in de afvalbak." zegt mijn vriendin. "Ik wilde ze er uit halen, maar ze zaten vol jus en kleverige siroop. Het kon niet meer.”

Als ik thuiskom leg ik mijn gebutste arm op de viertafel: bij Maria met rozenkrans, bij de heilige Sint Maarten en bij een kaars van de Protestante Kerk.