appel

Witte donderdag - Franciscus deelt brood met zijn broeders

Op deze Witte donderdag een verhaal over Franciscus, dat lijkt op het laatste avondmaal van Jezus en zijn discipelen. Als Franciscus bijna gaat sterven zegent hij zijn broeders, laat brood brengen, breken, delen en eten.

“Op een nacht had de zalige Franciscus bijzonder veel te lijden van zijn smartelijke kwalen. De pijnen waren zo hevig dat hij de hele nacht bijna geen ogenblik rustig kon blijven liggen noch slapen. Tegen de morgen nam de pijn echter wat af en liet hij alle broeders die daar woonden, bij zich komen. Toen ze bij hem zaten, liet hij zijn blik peinzend over hen heengaan en kwamen in hen al zijn broeders voor ogen. Beginnend bij de eerste de beste broeder legde hij hun toen ieder zijn rechterhand op het hoofd en zegende hen. En in hen zegende hij alle broeders die in de orde waren en er ooit in de toekomst tot het einde van de wereld nog in zouden komen. En hij scheen er zich maar moeilijk bij te kunnen neerleggen dat het hem niet gegeven was vòòr zijn dood zijn zonen en broeders terug te zien. Toen hij allen gezegend had, vroeg hij hun wat broden te brengen en zegende die. Omdat hij door zijn ziekte er zelf te zwak voor was, liet hij ze door een broeder in meerdere stukjes breken, nam die en, terwijl hij iedere broeder een stukje gaf, drong hij er bij hen op aan het helemaal op te eten. Zoals de Heer immers op de donderdag voor zijn dood met zijn apostelen de maaltijd had willen gebruiken, zo wilde ook de zalige Franciscus - die indruk kregen de aanwezige broeders althans - vòòr zijn dood hen zegenen en in hen alle overige broeders, en hun dat gezegende brood laten eten alsof ze het in zekere zin samen aten met al hun broeders. Zo kunnen wij het inderdaad zien. Want terwijl het die dag een heel andere dag was, zei hij zelf tegen de broeders dat hij dacht dat het donderdag was.”

Vraag om een kaart bij te trekken: Welke zegen geeft Franciscus mij?

Niet alle kaarten zijn gemakkelijk als zegen van Franciscus te ontvangen. Zo is dat met de kaart van de Keizer die ik getrokken heb. Franciscus had het niet op keizers. Ik geloof zelfs dat hij de broeders opdracht gaf om op de grond te spuwen, toen de keizer langs trok. Franciscus wil geen koninkrijk stichten, rondtrekken is zijn ideaal. Hij wil net als Jezus geen plaats hebben om zijn hoofd neer te leggen.

Toch is de Keizer de kaart die ik getrokken heb als de zegen van Franciscus. De keizer zit er vrolijk bij. Het is overduidelijk dat hij geniet van zijn koninkrijk. Daarom is dit de zegen: “Je bent gezegend om te genieten van je huis, je werk en je leven.” Die zegen kan ik best gebruiken. Uit:

Herinneringen aan broeder Franciscus, Gottmer 1985, no. 22, p 32-33